De mythes van de Afrikaanse honger

 

Door Kevin Danaher en Abikok Riak

In 1990 stierven ongeveer 4,2 miljoen Afrikaanse kinderen tengevolge van ondervoeding en 39 miljoen wogen te licht. In de openbare discussie over de Afrikaanse honger zijn veel mythen en foute veronderstellingen gemaakt over waarom zoveel Afrikanen hongerlijden. Voor diegenen onder ons die een einde willen maken aan het onnodig lijden, is het belangrijk om de werkelijke reden van de honger in Afrika te begrijpen.

Mythe 1: de natuur is de voornaamste oorzaak van de schaarste in Afrika

Droogte en andere natuurrampen in veel delen van Afrika hebben de honger verergerd, maar armoede is de werkelijke oorzaak van de voedselschaarste. Alleen heel arme mensen sterven aan de gevolgen van droogte, en de armoede in Afrika wordt al honderden jaren gemaakt. Toen Europese landen Afrika koloniseerden, ontwrichtten zij de landbouw en gooiden systemen, waaraan Afrikanen eeuwenlang gewerkt hadden om de condities van het milieu te verbeteren, overhoop. Ecologisch evenwichtige voedselsystemen werden ondermijnd; de beste landbouwgronden werden in bezit genomen voor koffie, suikerriet, cacao, en andere exportgewassen, die gezien werden als de middelen voor economische ontwikkeling volgens de neo-klassieke theorie van te vergelijken gunstige omstandigheden. Private en overheidsfondsen werden aangewend om te investeren in de ontwikkeling van deze marktgewassen, terwijl de voedselproductie voor de arme meerderheid verwaarloosd werd.

Koloniale marktgewassen verwoestten de bodem, reduceerden grote gebieden tot woestijn en semi-woestijn. Miljoenen hectaren werden weggevaagd, de grond van haar fundamentele voeding berovend.

Exportgewassen zoals katoen, pinda's en tabak, namen grote hoeveelheden voedingsstoffen van de grond in beslag. Na elke jaaroogst werd de grond kaal en onbeschermd achtergelaten wat tot versnelde erosie leidde. Toen meer land voor marktoogsten werd gebruikt, werden kleine boeren meer en meer naar ondergeschikt land gedreven, waar het nauwelijks regent en hun bekwaamheid voor het produceren van voedsel afneemt. Het is deze onfortuinlijke en onvermijdelijke situatie die de schaarste door droogte heeft bevorderd.

Terwijl het beste land voor export-landbouw werd gebruikt ontaardde het milieu en verarmde de plattelandsbevolking. Velen werden gedwongen om op de plantages te gaan werken of trokken naar de steden op zoek naar werk. De eigenaren van de plantages en andere commerciële belanghebbenden ontwikkelden een grote beroepsbevolking die lage lonen betaald kreeg, waardoor ze verzekerd waren van hoge winsten.

Povere regenval en andere milieurisico's zijn inderdaad lastig voor boeren over de hele wereld, zij veroorzaken voedselschaarste. Alhoewel boeren en geestelijke leiders kwetsbaar zijn gemaakt door economische en politieke structuren die velen arm maken en enkelen rijk.

Mythe 2: Afrika's honger is veroorzaakt door overbevolking

In tegenstelling tot de algemene opinie zijn wij van mening dat honger niet veroorzaakt is door extreme bevolkingsdichtheid. Als dat zo was zouden we wijdverbreide honger in dichtbevolkte landen, zoals Japan en Nederland,verwachten en weinig of geen honger in dunbevolkte landen, zoals Senegal en Zaïre, waar feitelijk ondervoeding en honger sterk aanwezig zijn.

Afrika is niet dichtbevolkt. Er leven 23,7 personen per vierkante kilometer, in Europa 108,6 en 122,9 in Azië. Maar van alle continenten komt Afrika op de laatste plaats wat betreft het gebruik van irrigatie, bemesting en tractoren. Het probleem is niet een tekort aan land, maar een tekort aan geld, opleiding en een passende technologie om het land te ontwikkelen. Afrikanen gebruiken een erg klein percentage van de bodemrijkdommen in de wereld. Bijvoorbeeld: de 600 miljoen tellende bevolking van Afrika (11,3 procent van de wereldbevolking) consumeert net 2,4 procent van 's werelds commerciële energie, terwijl de 260 miljoen tellende bevolking van Amerika (4,9 procent van de wereldbevolking) 25,1 procent consumeert.

Het is waar dat de Afrikaanse bevolkingsgroei, naar schatting 3 procent per jaar, hoger is dan die van elk ander continent.
Maar het is belangrijk, hoe dan ook, voor ons om de werkelijke relatie te begrijpen tussen de geschatte hoge bevolkingsgroei en honger. Hoge bevolkingsgroei veroorzaakt geen honger. Beide zijn eerder logische gevolgen van sociale onrechtvaardigheid. Van de arme meerderheid - vooral vrouwen - is de zekerheid en economische vooruitgang, die noodzakelijk is om de keuze te kunnen maken om minder kinderen te krijgen, afgenomen.

Grote families hebben is een logische reactie op de armoede waaronder de meeste Afrikanen leven. Op de kleine familieboerderijen die het meeste Afrikaanse voedsel produceren, is de samenwerking van het gezin het belangrijkste. Het hoge geboortegetal is gedeeltelijk een antwoord van ouders op de noodzaak voor arbeidskrachten op de boerderij.

's Werelds hoogste kindersterfte, van nul tot vier jaar, leidt in Afrika tot een zelfs groter aantal geboortes ter compensatie. Voor sommige moeders is de belasting van nog een kind grootbrengen onder moeilijke omstandigheden zwaarwegender dan het eventuele voordeel van nog een arbeider in de familie.

Uit gegevens blijkt dat er een nauwe band bestaat tussen een verbeterde levensstandaard en dalende geboortegetallen. Als Afrikaanse ouders er zeker van waren dat hun kinderen zouden overleven, zouden zij het niet nodig vinden er zoveel te maken. Als ouders genoeg konden verdienen met hun arbeid en verzekerd waren van een oudedagsvoorziening, zouden zij in hun eigen belang het aantal geboortes beperken. En als vrouwen de kansen geboden werden om gelijke leden van de samenleving te worden, zouden zij in staat zijn om een beter gebruik van de gezinsplanningstechnologie te maken. De kern is niet dat er teveel mensen zijn, maar teveel ongelijkheid.

Mythe 3: Afrikaanse regeringen dragen de belangrijkste verantwoordelijkheid voor de achteruitgang van de voedselproductie

Om alle fouten bij de Afrikaanse regeringen te leggen betekent dat zij alleen het lot bepalen van hun landen. Doch de krachten die de honger in Afrika gevestigd hebben zijn transnationale ondernemingen, Westerse regeringen, internationale agentschappen en Afrikaanse elite, evenals de regeringen. Tezamen vormen zij een coalitie wiens levensstijlen en belangen erg verschillen van de Afrikaanse plattelandsmeerderheid. Decennialang heeft deze coalitie beleid gemaakt dat de oogsten heeft ondermijnd. De bedragen, aan boeren betaald, worden kunstmatig laag gehouden om zo het voedsel voor de mensen in de steden goedkoop te kunnen leveren, waardoor naar alle waarschijnlijkheid de onrust in de steden verzwakt wordt en de werkgevers aldaar in staat stelt lage lonen te betalen. Maar ook wordt de prikkel om devoedselproductie te vergroten onderdrukt. Beleidsmakers verlenen de meeste landbouwhulp voor marktgewassen in hoofdzaak ten bate van de commerciële belangen. Bijvoorbeeld: met de invoering van structurele aanpassingsprogramma's in de 80er jaren daalde het beschikbare krediet voor de kleine boeren dramatisch.

Het feit dat beleid gemaakt wordt door mannen, terwijl het meeste voedsel (80 procent) geproduceerd wordt door vrouwen, helpt bovendien de lage prioriteit die gegeven wordt aan voedseloogsten, goed te praten. Het meeste landbouwonderwijs en ontwikkelingshulp is gericht op mannen, vrouwen worden veronachtzaamd. Bijvoorbeeld: landbouwverbeteringsdiensten worden traditiegetrouw door mannelijk personeel geleid, voor mannen. Een recente studie van de Voedsel en Landbouw Organisatie (FAO) constateerde dat slechts minder dan 11 procent van de mensen, werkzaam in de landbouwontwikkeling, vrouwen zijn. (wordt vervolgd)


Bron: Voedsel Informatie Instituut voor Voedsel en Ontwikkelingsbeleid, voorjaar 1995; foodfirst@igc.apc.org
Vertaling: Tineke v.d. Klift

Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019