De waarheid over de processen op Cuba


Raul Rivero, en aan lager wal geraakte alcoholist die door het Westen wordt gepromoot omdat hij ooit wel een positie bekleedde.

Van de redactie buitenland

In verschillende Cubaanse provincies verspreid over het hele land werden er 29 processen gehouden, waarbij vijfenzeventig mensen werden aangeklaagd: vierenzeventig mannen en een vrouw. De rechtbanken spraken straffen uit van zes tot achtentwintig jaar.

Ondanks de ernstige misdaden en de gevaren voor Cuba's nationale veiligheid werd in geen enkel geval de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf opgelegd, zoals de anti-Cuba-propaganda ten onrechte wist te melden.

De politieagenten die de huurlingen in hechtenis namen, hebben geen enkele vorm van geweld of dwang toegepast, zelfs niet in de kleinste mate. Volkomen op de hoogte van de aard van hun misdrijf en ontdaan van elke morele rechtvaardiging en hun waardigheid boden de huurlingen geen verzet bij hun arrestatie.

De processen werden volgens de snelrechtprocedure gevoerd, vanwege de ernst van de omstandigheden, krachtens Strafwet nr. 5 uit 1977. In de Cubaanse wetgeving en volgens de Cubaanse juridische regels houdt het snelrecht in dat de president van het hooggerechtshof de duur van het proces kan bekorten. Op geen enkele wijze komt de rechtszekerheid hierdoor in het gedrang.

Alle beschuldigden werden vooraf op de hoogte gebracht van de beschuldigingen tegen hen en net als alle beschuldigden in Cuba kregen zij de kans hun zaak voor de rechtbank uiteen te zetten. Het verhaal, dat ze pas tijdens het proces te horen kregen waarvan ze beschuldigd werden, is volkomen onwaar.

Alle beschuldigden maakten gebruik van het recht op een advocaat, die volgens de Cubaanse wetgeving kan worden aangewezen door de beschuldigde of, indien dit niet gebeurt, door de rechtbank. Vijfenveertig advocaten namen deel aan de processen, van wie er 44, oftewel 80 procent van het totaal, werden aangetrokken door de beschuldigden of hun families. Slechts tien advocaten werden door de rechtbank toegewezen. De bewering dat de beschuldigden het recht op een bekwame verdediging ontzegd werd is onjuist.

In tegenstelling tot wat er in de anti-Cuba-propaganda beweerd wordt maakten alle beschuldigden gebruik van hun recht om mondeling gehoord te worden voor gewone burgerlijke rechtbanken die voordien al bestonden, dit in overeenstemming met de Cubaanse en internationale wetgeving. Er werden voor hun berechting geen speciale ad hoc-tribunalen opgericht, noch bijzondere gelegenheidsrechters benoemd.

Er werden geen geheime processen gevoerd. De mondelinge verhoren van alle rechtszaken waren voor alle partijen toegankelijk. Gemiddeld werd elk verhoor bijgewoond door bijna honderd mensen; in totaal betekent dat bijna drieduizend mensen, vooral familieleden, getuigen, deskundigen en andere aanwezige Cubanen.

Het is waar dat sommige geaccrediteerde buitenlandse diplomaten in Havana door een beslissing van de rechters niet aanwezig waren bij de processen, vermits er geen enkele buitenlander voorgeleid werd, alleen Cubanen. De Conventie van Genève voorziet met betrekking tot de diplomatieke en consulaire relaties alleen in toegang van consulaire vertegenwoordigingen tot processen waarbij de beschuldigden buitenlanders zijn.

De rechtbanken maakten gebruik van hun recht om de pers de toegang tot de rechtszalen te ontzeggen, dit in verband met informatie over de nationale veiligheid die tijdens de processen naar voren zou komen, en ook om te voorkomen dat de publiciteit in de weg zou komen te staan van de onpartijdigheid en objectiviteit van het hof.

Niettemin werd de pers tot in detail geïnformeerd over de processen. Op 9 april 2003, twee dagen na het laatste proces, hield Cuba's minister van Buitenlandse Zaken, Felipe Pérez Roque een lange en gedetailleerde persconferentie ten overstaan van 82 journalisten van de buitenlandse pers die 59 media uit 22 verschillende landen vertegenwoordigden, en in aanwezigheid van alle binnenlandse media. Tijdens deze persconferentie werd gebruikgemaakt van beeld- en geluidsmateriaal en andere documenten die tijdens de processen als bewijs naar voren waren gebracht. Hij informeerde de pers over de omstandigheden en het verloop van de processen en hij beantwoordde vragen van de journalisten (Het verslag hiervan in het Spaans en Engels kan bij de NCPN worden opgevraagd).

Op Cuba is een boek getiteld 'Dissidenten' gepubliceerd. Dit boek bevat de getuigenissen van acht Cubanen die de Cubaanse staatsveiligheid vrijwillig en uit vaderlandsliefde voorzagen van uitputtende informatie over de antigrondwettelijke activiteiten die de vijfenzeventig berechte en veroordeelde huurlingen ondernamen tegen Cuba. Deze acht oprechte Cubanen, die zeer begaan zijn met het lot van hun volk, lieten zich zogenaamd recruteren als huurlingen door het Amerikaanse belangenkantoor in Havana en 'lieten zich opnemen' in de rangen van een aantal subversieve organisaties die de Verenigde Staten op Cuba hebben opgezet. In deze organisaties bereikten ze belangrijke posities en voor hun bewezen diensten kregen ze een aanzienlijk bedrag dat van de Amerikaanse regering naar hen werd doorgesluisd. Hun getuigenissen bevestigen de feiten. (Zie: Rosa Miriam Elizalde en Luis Báez, 'Dissidents', Editora Política Publishing House, Havana 2003).

Alle beschuldigden en hun advocaten maakten gebruik van het recht om bewijzen voor te leggen en getuigen op te roepen die hun zaak konden bevoordelen, naast het bewijsmateriaal en de getuigen die geleverd werden door de onderzoekers en de openbare aanklager. De advocaten schoven achtentwintig getuigen naar voren die niet door de openbare aanklager waren opgeroepen van wie er 22, de overgrote meerderheid, mochten getuigen tijdens de processen. Alle advocaten kregen vooraf inzage in de dossiers van de openbare aanklager.

Zoals vastgelegd is in Cuba's wetgeving en zoals aangegeven werd tijdens het proces hadden alle gevangenen het recht om in beroep te gaan bij een hoger gerechtshof, in dit geval het hooggerechtshof. De meeste beschuldigden hebben van dit recht gebruikgemaakt.

De inbeslagneming van bezittingen geschiedde op gerechtelijk bevel zoals te doen gebruikelijk in geval van een illegale herkomst ervan.

Tijdens alle fasen van het proces werd het geestelijk en lichamelijk welzijn van alle beschuldigden strikt gerespecteerd. Ze bleven beschikken over kosteloze medische zorg en de diensten van medische specialisten, net als alle andere Cubanen. Er is geen greintje bewijs dat er vormen van druk, dwang, bedreiging of chantage gebruikt zijn om verklaringen en bekentenissen van de beschuldigden te verkrijgen.

Tijdens zijn mondeling verhoor, nadat het hof hem aan zijn zwijgrecht herinnerd had, verklaarde een van de beklaagden vrijuit: "Ik zou hier voorhet hof een verklaring willen afleggen over de adequate behandeling die we hebben gekregen van de staatsveiligheidsdienst en de onderzoekende instanties. Het was een rechtvaardige behandeling, we werden nergens toe gedwongen en men heeft ons nooit mishandeld." Hij voegde eraan toe: "Ik zou mijn dankbaarheid willen uiten voor deze behandeling, voor de uitstekende medische zorg die we driemaal daags kregen en dat de artsen steeds naar onze cel kwamen in geval van pijn of gezondheidsproblemen. Ze stonden ons toe het contact met onze families te onderhouden, we hebben veel contact gehad met onze advocaten en ze hebben ons alle tijd van de wereld gegeven om met hen te beraadslagen."

Vertaling Frans Willems

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019