De arbeiders hebben een eigen revolutionaire partij nodig

Wat doen revolutionairen in de vakbonden en wat vragen vakbondsactivisten aan een revolutionaire partij?


Het lijkt erop dat Lodewijk de Waal echt boos is!  


Klaar voor de strijd waren we al in het najaar van 2003
Foto Manifest

 


 

Door Wil van der Klift

Méér dan 100 jaar strijd voor het socialisme bevestigen de stelling van Marx dat de arbeidersklasse haar eigen, revolutionaire partij nodig heeft om de versterkte burcht van het kapitalisme in te nemen. De burgerij heeft haar hoofdkwartieren, de arbeidersklasse heeft ook een hoofdkwartier nodig. De ontaarding en de uiteindelijke val van de socialistische regimes in het Oostblok ondersteunt die stelling.

Hieronder het slot van een artikel - enigszins bewerkt - dat ik begin 1996 schreef.

De vakbonden omvatten, als enige organisaties, alle groepen uit de werkende klasse

Er wordt de laatste jaren veel gepraat over de ineenstorting van de vakbonden. Onderstaand citaat is daar een aardig voorbeeld van. Het komt uit een artikel met de kop: "De vakbeweging is dood". Veelzeggender kan eigenlijk niet.

"Bovenstaand citaat geeft weer hoe zwak de vakbonden in Nederland staan. Bestuurders die elke principiële strijd vermijden en principe na principe uitverkopen om maar niet "buitenspel" te worden gezet. Het is een club van beroepsbestuurders geworden die de beweging alleen maar zien als een (tijdelijke) plaats voor hun loopbaancarrière." (2)

Maar sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging hebben de arbeiders in Nederland praktisch geen andere vorm van strijdorganisatie gekend dan de vakbonden. Ook al bestond en bestaat er veelal een scherpe kloof tussen top en basis, ook al stond en staat de vakbondsleiding soms haaks op de verwachtingen van de massa; de historische ervaring heeft aangetoond dat de werkers in moeilijke omstandigheden steeds weer op de vakbonden terugvallen. Het specifieke kenmerk van de vakbeweging bestaat er nu juist uit dat het offensief tegen de vakbondsrechten, de vermindering van de sociale uitkeringen, de afbraak van de lonen, de arbeiders verplichten zich nog nauwer aaneen te sluiten rond de vakbonden. En dat, óndanks afwezigheid van verzet tegen die maatregelen door de reformistische vakbondsleiders. De arbeiders wilden en willen in de vakbond de strijdbare vertegenwoordigers zien van hun meest dringende klassenbelangen.

De vakbonden voor dood verklaren of ze eigener beweging verlaten of willen verlaten is onjuist. Communisten horen in de vakbeweging actief te zijn. Veel kameraden hebben besloten deze taak te laten vallen, omdat zij de aantrekkingskracht miskennen die de vakbonden uitoefenen op de arbeiders, en ook omdat ze capituleren voor de moeilijkheden van het werk binnen de reformistische vakbonden. Zij spreken over het gebrek aan democratische invloed, over het gebrek aan strijdbaarheid, over de lage opkomst op de ledenvergaderingen. Er zijn er zelfs die publiekelijk beweren dat het tegenwoordig gebruikelijk is dat vakbondsvergaderingen nog maar door één man worden bezocht. Het zal hier en daar zeker voorkomen, maar het is zeker geen regel. Zulke 'informatie' is daarom onjuist en desoriënterend. Het ledenaantal is echter nog altijd relatief hoog en veel bewuste arbeiders zijn in de vakbeweging georganiseerd. Het is daarom van het grootste belang dat een communistische partij haar leden oproept actief in de vakbeweging op te treden. En het is - aan de andere kant - voor een revolutionairepartij zeer schadelijk als zij niet beschikt over een groot aantal vakbondskaders.

Niet werken in de bestaande vakbonden betekent massa's die in de vakbond georganiseerd zijn overlaten aan de reformistische leiders. Het is een onvergeeflijke veronachtzaming van de revolutionaire taken.

Lenin: "Het is niet moeilijk een revolutionair te zijn wanneer de revolutie is uitgebroken, reeds is ontbrand, wanneer alle mogelijke mensen zich bij de revolutie aansluiten... Het is veel moeilijker, en van veel meer waarde, dat men de kunst verstaat een revolutionair te zijn, wanneer de voorwaarden voor de directe, openlijke, werkelijke revolutionaire strijd van de massa's nog niet aanwezig zijn; dat men de kunst verstaat op te komen voor de belangen van de revolutie (door propaganda, agitatie en organisatie) in nietrevolutionaire, vaak zelfs in beslist reactionaire instellingen, in een niet-revolutionaire situatie onder een massa die niet in staat is om onmiddellijk de noodzakelijkheid van de revolutionaire strijdmethode te begrijpen." (3)

Het belang van het werk in de bestaande vakbonden kan men ook afmeten aan de ijver waarmee rechtse elementen in de vakbondsleiding zich, tot een jaar of 10 geleden, inspanden om aan communisten hun posities of zelfs hun lidmaatschap van de vakbond te ontnemen. De actieve steun, die werkgevers en veiligheidsdiensten hieraan verleenden en morgen weer gaan verlenen - indien nodig - bewijst hoe duidelijk zij beseffen dat een communistische positie in de vakbonden een bedreiging vormt voor hun ideologische en organisatorische greep op de werkers. Dat die situatie op dit moment nauwelijks nog plaatsvindt bewijst eens te meer hoe weinig gevaar men nog ducht van de NCPN.

Zonder marxistisch-leninistische partij geen effectief vakbondswerk mogelijk

De organisatie van het proletariaat in een - eigen niet-burgerlijke - politieke partij is een absolute noodzaak voor de overwinning van de sociale revolutie en voor het bereiken van haar hoogste doel: de afschaffing van de klassen. De vereniging (coalitie) van de arbeiders, die reeds bereikt is in de economische strijd moet in handen van deze klasse ook als hefboom dienen voor de strijd tegen de politieke macht van de uitbuiters.

De hele officiële en liberale wetenschap verdedigt, op de één of andere wijze, de loonslavernij, terwijl het marxisme er een onverzoenlijke oorlog tegen verklaart. De leer van Marx geeft een coherente visie op de wereld, een visie met een duidelijk klassenkarakter en een praktisch karakter. Elke vakbondsactivist wordt zo voor de keuze gesteld: ofwel schoolt hij zich in de marxistische kennis, ofwel maakt hij een mengsel van klasseninstinct en een keuze uit allerlei burgerlijke theorieën. Een derde weg, een soort van onafhankelijke vakbonds('arbeiders')leer, is er niet.

Lenin: "Kan er van een zelfstandige door de arbeidersmassa's zelf in de loop van de beweging uitgewerkte ideologie geen sprake zijn, dan komt de kwestie hierop neer: burgerlijke of socialistische ideologie. Een tussenweg bestaat hier niet (want een 'derde' ideologie heeft de mensheid niet uitgewerkt en in het algemeen kan er ook in een maatschappij, die door klassentegenstellingen uit elkaar wordt gescheurd, geen buiten of boven de klassen staande ideologie bestaan). Daarom betekent elk naar beneden halen van de socialistische ideologie, elk zich daarvan verwijderen, tevens een versterking van de burgerlijke ideologie." (4)

Er is voor de vakbeweging en voor elke activist slechts één weg om zich op ideologisch vlak totaal vrij en onafhankelijk te maken van alle burgerlijke denkbeelden. Die weg bestaat uit de nauwgezette studie van het wetenschappelijk socialisme en in de toepassing ervan op de werkelijkheid van vandaag. Die studie en toepassing kan een strijdbaar vakbondslid vinden in een marxistisch-leninistische partij, als die de naam tenminste waard is en waarmaakt.

De strijd die de arbeiders spontaan voeren tegen de werkgevers, heeft tot doel de voorwaarden te verbeteren, waaronder de arbeiders hun arbeidskracht moeten verkopen aan de bazen. De vakbondsstrijd is daar de uitdrukking van en doorbreekt dus niet het kader van een strijd voor lotsverbetering, hoe radicaal en hoe algemeen die strijd ook gevoerd wordt. De strijd voor de bevrijding uit de uitbuiting is van een andere orde: het is een strijd voor de omverwerping van het economische systeem, dat de arbeiders verplicht om elke dag hun arbeidskracht te verkopen. Dit systeem wordt instandgehouden door de kapitalistische staat, die over legers, rechtbanken en gevangenissen beschikt om de arbeiders en werkers te onderdrukken; en over (invloed op de) media om de arbeiders te desinformeren en te misleiden. Om zich van de uitbuiting te bevrijden, moeten de arbeiders de economische strijd doelbewust verbinden met de strijd om de politieke macht, d.w.z. de strijd voor de vernietiging van de kapitalistische staat en voor de opbouw van een socialistische. Door op een simplistische wijze de economische strijd gelijk te stellen aan de strijd voor de bevrijding van de uitbuiting, kan men al deze opdrachten met één zwaai van tafel vegen en laat men het politieke terrein volledig over aan reformistische en andere burgerlijke partijen.

Overschatting van de economische strijd leidt tot een grondige onderschatting van en zelfs tot een verzet tegen de politieke mobilisatie van de arbeidersklasse. Wie alleen maar dweept met de 'onmiddellijke economische strijd' zal de arbeiders- en vakbeweging in allerlei politieke kwesties afhankelijk maken van de politiek, die door de burgerlijke - met inbegrip van de reformistische - partijen wordt uitgewerkt.

Hun gemeenschappelijke lot kan de arbeiders tot het gemeenschappelijke inzicht brengen dat zij zich moeten verenigen om van de ondernemers en overheid betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Het schept een zekere openheid voor het socialistische ideeëngoed. Maar de objectieve situatie op zichzelf volstaat niet om het inzicht bij te brengen in de voorwaarden, die noodzakelijk zijn om zich van de uitbuiting te bevrijden. Een arbeider kan zeer actief zijn in de economische strijd maar politiek lid worden van de LPF. Zoals er andere arbeiders zijn die de weg naar de bevrijding zien via het sociaal-democratische of christelijke reformisme, via het liberalisme of nog anderen zelfs via het fascisme. Al deze partijen denken en handelen binnen het kader van het kapitalisme. Om echt te kunnen strijden voor de bevrijding van zijn klasse uit de kapitalistische uitbuiting moet een arbeider:

  1. de mechanismen en de wetten van het kapitalisme als een geheel systeem begrijpen. Zijn baas is slechts één radertje in dit globale systeem. Zonder dit inzicht kan men de verantwoordelijkheid voor zijn objectieve situatie leggen bij het wanbeleid of de onbekwaamheid van de ondernemers.
  2. Het lijden van alle onderdrukte klassen, hier én in de derde wereld kennen en de strijd van deze klassen ondersteunen. Zonder dit inzicht en deze steun kunnen arbeiders de verbetering van hun lot proberen te halen uit uitbuiting van de derde wereld. Wie de imperialistische politiek van zijn burgerij ondersteunt zal niet strijden voor de omverwerping van dekapitalisten, en zonder dat is de bevrijding uit de uitbuiting niet mogelijk.
  3. De rol van de staat (met inbegrip van het parlement) als instrument van de kapitalistenklasse doorzien; de fundamentele politieke opstelling van de burgerlijke (reformistische) partijen doorzien. Die inzichten ontstaan niet spontaan uit de strijd, maar moeten in de arbeidersklasse binnengebracht worden door intellectuelen en arbeiders, die het wetenschappelijke socialisme door studie hebben verworven.

De vakbond is ook niet de hoogste - of voor sommigen de enige - organisatievorm van de werkers, die alle andere arbeidersorganisaties animeert en moet leiden. Opdat de vakbond ook werkelijk haar kracht zal aanwenden voor de vernietiging van het kapitalistische systeem en voor de opbouw van een socialistische maatschappij, is er de leiding nodig van een revolutionaire partij, die zich baseert op het wetenschappelijk socialisme en in staat is om het reformisme te doorzien en er zich van af te bakenen. Zo niet dan zal de vakbeweging in de fundamentele kwestie van de politieke en economische macht steeds bedrogen worden door het reformisme.

Vakbondspolitiek in een revolutionaire partij

Waarom slaagde de KPD (Kommunistische Partei Deutschland), die de enige politieke kracht in het vooroorlogse Duitsland was, die consequent het opkomende fascisme bestreed, ondanks een grote massabasis er toch niet voldoende in om de invloed van het reformisme op beslissende wijze te verslaan en echte massabewegingen tegen het fascisme op gang te brengen? Twee grote fouten werden er vastgesteld. Vooreerst, aldus Piatnitzky, een van de leiders van de Derde Internationale, "onderscheidde de werking van een aantal communisten in de vakbonden zich niet veel van die van de reformisten." Deze communisten verklaarden dat het onmogelijk was te strijden wanneer de vakbondsleiders niet mee wilden doen. Vaak gaven zij zelfs hun goedkeuring aan afdankingsplannen en loonsverlagingen. Het gevolg van dit alles was dat de massa's zich van die communisten verwijderden.

Maar belangrijker nog bleek een andere afwijking: "Er werd totaal onvoldoende gewerkt in de vakbonden." In de KPD bleken er heel wat sektarische standpunten te bestaan die het belang van het vakbondswerk onderschatten. Zo werd de aantrekkingskracht van de reformistische vakbonden op de massa onderschat. Vrijgestelden en vakbondsleiders werden in de dagelijkse praktijk vrij vlotjes gelijkgesteld met de ondernemers of met het staatsapparaat. Gevolg: geen eenheidsfrontpolitiek, geen politiek om druk uit te oefenen zodat de vakbondsleiders en de vrijgestelden wel de verdediging van de arbeidersbelangen zouden opnemen. Deze en andere standpunten bemoeilijkten niet alleen het eenheidsfrontwerk, zij leidden ook tot een ware uittocht van de communisten uit de vakbonden. Kameraden die terugschrokken voor de reële moeilijkheden van het vakbondswerk, klampten zich aan die standpunten vast. Strijdbare arbeiders die revolutionair werk wilden verrichten stopten het vakbondswerk uit vrees om opportunistische fouten te maken." (4)

In de NCPN kunnen we een vergelijkbaar proces waarnemen. Er wordt onvoldoende strijd bínnen de vakbeweging gevoerd tegen de reformistische tendensen. De NCPN dreigt zo het verzamelpunt te worden van communisten die het moeilijke werk binnen de vakbond hebben opgegeven of er zelfs nooit aan zijn begonnen, maar wel van de zijlijn roepen hoe het moet, zonder dat er leiding wordt gegeven aan de sociaal-economische strijd. Door niet (meer) in de reformistische vakbonden te werken zonderen communisten zich af van die krachten die binnen de vakbeweging de meerderheid van de arbeidersblijven organiseren.

De massa winnen voor een revolutionaire politiek is onverbrekelijk verbonden met het vakbondswerk. De vakbonden zijn de enige massaorganisaties van de werkende bevolking. Zij organiseren een belangrijk deel van de hoofd- en handarbeiders. De werkers kunnen vakbondsvertegenwoordigers kiezen die uit hun eigen rangen komen. De praktijk van alle stakingen toont aan dat een belangrijk deel van de werkers steeds kijkt naar wat die gekozen kaders doen. Of vakbondskaders op een goede of slechte manier optreden, maakt een ontzettend groot verschil uit voor het klimaat en het zelfvertrouwen onder die massa. De strijd tegen de opeenvolgende bezuinigingen onder Lubbers, Kok en Balkenende toonde hoe belangrijk het is of de vakbondsleiding die strijd steunt of saboteert, afremt of minstens passief laat ontwikkelen. Dat zagen we vorig jaar voor en tijdens het Najaarsakkoord, dat zien we nu weer bij de stoelendans om VUT, levensloop en WAO. Zonder de 'Kokken' en 'De Waalen' waren die aanvallen op het levenspeil veel beter te bestrijden geweest. Delen van de bezoldigde leidingen laten hun vakbondsactivisten aan de basis voortdurend in de kou staan op de cruciale momenten. Anderen trachten met moeite een progressieve koers te varen. Een vakbondsactivist kan dan afhaken of met verdubbelde inzet aan het werk gaan om de vakbond van binnenuit te vernieuwen. Het is duidelijk dat de laatste keuze de moeilijkste, maar juiste is.

Vroeg of laat zullen dezelfde situaties zich opnieuw voordoen. Een consequent vakbondskader trekt daaruit lessen en besluit het de volgende keer anders aan te pakken. Hij zal nieuwe krachten rond zich verzamelen, hen vormen en voorbereiden op de komende klassenstrijd. De burgerij kent zéér goed de kracht van een georganiseerde en ideologisch geschoolde voorhoede. Tot wat bewuste, revolutionair gezinde vakbondsactivisten in staat zijn, hoe zij binnen de vakbond en onder de massa onweerstaanbare krachten in beweging kunnen brengen, wordt aangetoond door de acties in de strokarton en de havens in het verleden. Maar ook op tal van plaatsen en momenten in het recente verleden. Dat veel successen maar een tijdelijk karakter hadden hangt onmiddellijk samen met de zwakte van het communisme in Nederland. Waar in een, inmiddels al weer ver verleden, de CPN talrijke acties ontwikkelde en steunde, was het VCN daartoe al niet meer bij machte en heeft de NCPN op dit punt ook nauwelijks nog praktijk. De partij zal de komende periode meer dan ooit moeten inzetten op het ontwikkelen van een sterkere vakbondspolitiek.

Noten:

2. Stukjes zijn overgenomen uit Promotor 81, 22 december 1995, uit het artikel met de veelzeggende - onjuiste - kop 'De vakbeweging is dood'. 3. Lenin, De linkse stroming, kinderziekte van het communisme, 1920. 4. Lenin, Wat te doen?, 1902.

(*) Dit artikel is een vrije bewerking van een deel van hoofdstuk V uit "De tijd staat aan onze kant", vakbondsmilitant in de jaren '90, Jo Cottenier en Kris Hertogen, uitgeverij EPO (ISBN 90 6445 568 6).

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019