De moord op Rafik Hariri en de Amerikaanse ambities in het Midden-Oosten


VS willen in Libanon ook een pro-Amerikaanse regering installeren Foto Solidair

Israël heeft Zuid-Libanon tot in 2000 bezet gehouden. Het is Israël dat in Libanon voor onzekerheid en onveiligheid zorgde, denken we maar aan Sabra en Chatilla (foto) in 1982. De nationalisten willen trouwens dat de Syrische troepen blijven om de Palestijnse kampen te beschermen. (Foto Solidair, Vinciane Convens)  

Redactie buitenland

De gebeurtenissen na de moord op de vroegere Libanese premier Rafik Hariri hebben duidelijk gemaakt dat de VS hun pijlen niet alleen op het Iraanse regime gericht houden, maar ook op dat van Syrië. De Verenigde Staten gokken erop dat zij de brokstukken in de regio kunnen oprapen nadat ze het evenwicht verstoord hebben. Dit is een gok die zelden vertoond is buiten de context van een wereldoorlog. (deel 2 van 2)

De Amerikaanse krant ziet dit als een reden waarom Syrië's betrokkenheid bij de dood van Hariri niet uitgesloten kan worden, en dit argument weegt zwaar. Maar als dit klopt dan is het, los van de vraag wie Hariri vermoordde, ook waar dat de Amerikaanse druk op de Syrische bezetting van Libanon verder reikt dan de grenzen van Libanon en dat het de bedoeling is het Syrische regime in het hart te treffen. Dit wordt onderstreept door het feit dat de Britse ambassadeur openlijk spreekt over hoe het pro-Syrische regime van het land omvergeworpen kan worden. In het interview zegt hij dat hij rekent op de anti-Syrische oppositie in het Libanese parlement om het proSyrische regime deze klap toe te brengen [inmiddels ook gebeurd, red. M.]. Wat hij niet zegt is dat, de aard van de Libanese politiek in aanmerking genomen, dit scenario onwaarschijnlijk is, tenzij veel politici het gevoel hebben dat ze handelen met Amerikaanse politieke steun en onder dekking van Amerikaanse wapens. Deze wapens zouden zich wel eens in Israliësche handen kunnen bevinden.

Het laatste puzzelstukje is de vraag waarom de Verenigde Staten zo gebrand zijn op een 'regime change' in Syrië, en dat is het belangrijkste punt. Het is ook verbazend omdat Assad zo hard zijn best heeft gedaan om met de VS tot overeenstemming te komen.

De VS kunnen zich niet beklagen over de martelkamers van het Syrische regime omdat ze er immers zelf gebruik van maken. In de westerse media zijn er vaker berichten verschenen waarin ook Amerikaanse functionarissen erkenden dat er een Amerikaans beleid gevoerd wordt, waarbij gevangenen die verdacht worden van het schaden van de Amerikaanse belangen overgedragen worden aan Syrië (en Egypte en aan andere regimes) om gemarteld te worden of om hen voorgoed uit de weg te ruimen. Het beruchtste geval was dat van de Canadese staatsburger Maher Arar die het tenminste kon navertellen. Tijdens een overstap op een luchthaven in New York werd hij aangehouden door de Amerikaanse overheid en hij verdween voor meer dan een jaar. Volgens een rapport van Amnesty International werd hij door Amerikaanse agenten overgebracht naar Jordanië en vervolgens naar Syrië waar hij gemarteld werd door leden van een Syrische militaire inlichtingendienst die gewoonlijk Palestijnen folteren. Nadat hij een bekentenis ondertekende - die later vals bleek te zijn - waarin stond dat hij in Afghanistan geweest was gaven ze hem terug aan de VS, die hem lieten terugkeren naar Canada. Anderen die ontvoerd en door de VS weggesleept werden naar de Syrische kerkers zeggen dat zij hun folteraars Amerikaans/ Engels hoorden spreken.

Een uitgebreid artikel van Seymour Hersh dat op 18 juli 2004 in 'The New Yorker' verscheen lijkt gebaseerd op informatie van CIAmedewerkers die het oneens zijn met Bush' besluit om Assad aan te pakken. Het beschrijft tot in detail in hoeverre de Syrische en de Amerikaanse inlichtingendiensten samengewerkt hebben tegen de islamitische krachten die hun gezamenlijke vijand zijn. In 2003 liet Syrië echter na om de Amerikaanse invasie in Irak te steunen, in tegenstelling tot de Golfoorlog van 1991, toen het land zelfs troepen stuurde. In de huidige situatie zou dat ernstige politieke problemen veroorzaakt hebben. Maar, zo legt Hersh uit, Assad wilde wel graag de achterdeur openhouden, waardoor hij in het geheim kon samenwerken en onderhandelen met Bush. Het artikel betoogt dat als de 'oorlog tegen het terrorisme' of de strijd tegen het moslimfundamentalisme werkelijk de drijfveren van de Amerikaanse regering waren, de weigering van Bush om gebruik te maken van deze achterdeur onverklaarbaar zou zijn. Hersh interviewde Assad die zei: "Voor ons kwam 11 september niet slecht uit. De noodzaak tot samenwerking was duidelijk en in ons belang. Het was ook een goede gelegenheid om de betrekkingen te verbeteren."

Volgens Hersh blijft Syrië's weigering om de steun aan Hezbollah te staken een knelpunt. In een ander interview zegt de Libanese minister van Informatie tegen Hersh dat de honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen in de Zuid-Libanese kampen zonder Hezbollah niet in bedwang gehouden konden worden. Een bijzonder fascinerende passage volgt als de leider van Hezbol-

lah, Sayyid Hassan Nasrallah benadrukt dat hij "niet uit was op een confrontatie met de Verenigde Staten". Als Hersh hem vraagt of hij de oplossing die de Israëlische regering voor de Palestijnse kwestie zegt na te streven zou accepteren, inclusief het opgeven van de Palestijnse claims op Jeruzalem, zegt Nasrallah: "Laat het maar gebeuren. Ik zou niet zeggen 'akkoord', ik zou helemaal niets zeggen."

Waarom willen de Amerikanen wat Hersh de 'Syrische weddenschap' noemt, een vergelijk met Assad's regime niet aangaan? Het antwoord dat anonieme Amerikaanse functionarissen onlangs in de media gaven luidt dat 'Assad niet over de brug kan komen.' Hiermee willen ze zeggen dat Bashar niet net zoals zijn vader, van wie hij in 2000 de macht erfde, de verschillende machtsgroeperingen binnen de heersende Syrische klassen onder de duim kan houden. Er is echter meer voor nodig om de toenemende Amerikaanse agressie te verklaren. Bush en zijn adviseurs lijken te geloven dat druk van buitenaf ervoor kan zorgen dat het regime ineenstort en dat er een nieuw politiek stelsel zal ontstaan waardoor Syrië niet alleen zal verdwijnen als enige potentiële Arabische oppositiekracht tegen de VS en Israël, maar tevens meer onder Amerikaanse controle zou komen te staan ten koste van de Europese invloeden.

Amerikaanse regeringsmedewerkers worden nooit moe te wijzen op de talrijke connecties tussen Syrië, Iran en verschillende Palestijnse groeperingen. Hezbollah wordt zowel door Iran als Syrië gesteund. Syrië is ook een toevluchtsoord voor de leiding van Hamas en andere Palestijnse organisaties. Iran heeft Syrië steun geboden, vooral door de verkoop van goedkope olie en de belofte van politieke en militaire solidariteit. Tevens heeft Iran historische banden met de Sji'itsche geestelijken en politici in Irak.

Deze reactionaire organisaties en verbanden zijn allemaal factoren die in het Midden-Oosten hebben bijgedragen aan een zekere mate van stabiliteit. Hamas steunt, voor dit moment tenminste, Israël's pogingen om een eind te maken aan de Intifada; Hezbollah speelt de hierboven beschreven rol. De Iraanse regering heeft haar contacten in Irak openlijk onder druk gezet omm samen te werken met de VS. Op geen enkele manier heeft Iran zich tegen de Amerikaanse bezetting van Irak verzet. Wat de Verenigde Staten echter nastreven in het huidige Midden-Oosten is niet het handhaven van de stabiliteit van de afgelopen decennia. Ze hopen een nieuwe vorm van stabiliteit te bereiken die alleen maar kan ontstaan door een gewelddadige ontregeling van de heersende situatie.

Na de moord op Hariri verklaarde Bush: "Syrië loopt uit de pas van het proces dat gaande is in het grotere Midden-Oosten". We kunnen hem op zijn woord geloven. De wijsneuzen die Bush' buitenlandse beleid vormgeven verkondigen dat de VS het hele Midden-Oosten moeten en kunnen renoveren, dat het hele 'grotere Midden-Oosten' van Marokko tot Afghanistan één grote neokoloniale dochteronderneming wordt van de VS en een hoeksteen van het Amerikaanse wereldrijk. Vanuit dit oogpunt bezien wordt het doel waarnaar de VS streven duidelijk een heel kwaadaardig doel. De VS worden geconfronteerd met ernstige problemen, bijvoorbeeld in Irak waar de Amerikaanse interventie haar doelen nog bereiken moet. De Verenigde Staten zien echter ook kansen die voortkomen uit het feit dat zij plotseling de enige supermacht zijn. Vandaar dat zij de 'Syrische weddenschap' niet aangaan en ook soortgelijke aanbiedingen van Iran afgeslagen hebben. Ze spelen alles of niets. Afgaande op hun woorden en daden hebben de verantwoordelijken in de VS het idee dat ze met niet minder genoegen hoeven te nemen dan met de volledige Amerikaanse controle over het Midden-Oosten, waarbij de risico's die gepaard gaan met de destabilisatie en de onvoorspelbare gevolgen ervan voor lief worden genomen.

Bron: A World to Win News Service, 21 februari 2005, vertaling Frans Willems.