Textielbazen voeren opgeklopte campagne tegen China


Aan het werk in een autofabriek in de oostelijke provincie Guangdong. Vorig jaar gingen hier de lonen met 11 procent omhoog. Als je rekening houdt met de duurdere prijzen in de winkel, stegen de lonen van de arbeiders netto met 8 procent. (Foto AFP/Belga, Peter Parks)  


Een Chinese maïsboer in het noorden van het land. De regering zal tegen eind volgend jaar de belasting op de inkomens van de boeren helemaal afgeschaft hebben. (Foto solidair)  

Peter Franssen

De Europese textielbazen voeren een ware propagandaslag tegen China. Ze spreken over 'het gele gevaar'. Tegen hun natuur in zijn ze nu opeens diep bezorgd om de arbeidsplaatsen: de Chinese textielproducten vernietigen de banen in Europa, zeggen ze.

En ze voegen daar in één adem aan toe: de Chinezen subsidiëren hun uitvoer naar Europa en tegelijk schermen ze hun eigen markten af voor onze producten, dat is niet eerlijk!

Laten we eens beginnen met die subsidies. Veel Europese bazen zeggen dat de Chinese staat zijn textielondernemingen ondersteunt door een deel van de kostprijs voor zijn rekening te nemen. Die subsidie zou in verschillende vormen plaatsvinden: de ondernemingen zouden minder moeten betalen voor hun elektriciteit, ze zouden genieten van belastingverminderingen, voor iedere ton die ze uitvoeren zouden ze een premie krijgen, enzovoort. Stefaan Waeyenberge leidt in het Chinese Wuxi een dochter van de Belgische multinational Bekaert Textiles. Hij weerlegt de onzin van zijn collega-bazen. Hij zegt: "Wij kunnen het thuisfront er maar niet van overtuigen dat Chinese subsidies aan de textielsector niet bestaan. Chinese exporteurs betalen 17 procent BTW. Daarvan mogen ze 13 procent terugvorderen. Ze betalen dus een uitvoertaks van 4 procent.

Maar in Europa houdt men dit soort verwarring in stand." (1) Dus: in plaats van subsidies te krijgen van de staat, moeten de Chinese ondernemingen een uitvoerbelasting betalen aan de staat! De Europese ondernemers hebben nog een tweede verhaaltje uitgevonden. Ze zeggen dat de Chinese staat een hoge belasting heft op de producten die zij in China willen invoeren. Zo'n belasting heet een invoertaks. Ook dat is een verzonnen verhaaltje.

In 1982 hief China een invoertaks van gemiddeld 55 procent. Sindsdien is die taks voortdurend gedaald. In 2000 bedroeg die nog maar 16 procent. In 2004 10,4 procent. En op 1 januari 2005 hebben de Chinezen de invoertaks teruggebracht tot 9,9 procent. (2) Dat is buitengewoon laag.

In India bedraagt de invoertaks 21 procent. Beperkingen op de Chinese uitvoer China schermt zijn eigen markt dus niet af. De Europese en Amerikaanse bazen hebben dat verhaal verzonnen omdat ze zélf hun markten afschermen. In oktober 2004 voerde de regering-Bush invoertarieven in op sokken, badjassen en nog een aantal textielproducten uit China. De Europese Unie doet het tot nu toe op een andere manier: ze werpt technische en milieubarrières op. Europa zegt dat de producten die ingevoerd worden een bepaalde etikettering moeten hebben, of zus en zo verpakt moeten zijn, of op een manier geproduceerd moeten zijn waardoor ze in het productieproces geen of weinig milieuhinder veroorzaakt hebben. Europa stelt diezelfde normen niet aan de lidstaten van de Europese Unie zelf. Als die willen uitvoeren naar een andere lidstaat trekken ze zich daar niets van aan! Het doel van die normen is dus zonneklaar: de Europese markt afschermen voor producten uit China en andere derdewereldlanden. (3)

Welke evolutie valt er te verwachten? Op 1 januari van dit jaar zijn de invoerquota voor kleding en textiel weggevallen. Die quota zijn hoeveelheden die door Europa vastgelegd waren ter bescherming van zijn eigen markt. De Europeanen hadden gezegd: zoveel mag er binnenkomen en geen draadje of knoopje meer, we sluiten gewoon de grens als het meer dreigt te worden. In 1993 is er een globaal handelsakkoord afgesloten, de zogenoemde Uruguay-ronde. De Derde Wereld heeft daar de opheffing van de quota kunnen afdwingen tegen 1 januari 2005, weliswaar in ruil voor heel zware toegevingen in andere sectoren. Nu roepen de Europese textielbazen moord en brand: we zullen de overvloed van Chinese kleding en textiel niet overleven, zeggen ze.

De Europese textielbazen zijn echt niet de eerlijkste in die branche. Om te beginnen: 35 procent van de Chinese textieluitvoer gebeurt niet door Chinezen maar door Westerse multinationals. (4) De Europese bazen worden dus voor een belangrijk deel bedreigd door... Europese bazen! En hoe groot zal het aandeel zijn van China en andere uitvoerlanden in Europa na het wegvallen van de quota? De Wereld Handels Organisatie heeft daarover een studie gemaakt.

Ze schrijft dat China nu een aandeel heeft van 10 procent in de Europese textielmarkt en dat binnen enkele jaren dat aandeel zal groeien naar 12 procent. (5) Het Chinese aandeel in de kledingmarkt in Europa zal stijgen van 18 naar 29 procent. (6) In de textielsector is de toename van het Chinese aandeel miniem. In de kledingsector is de vooruitgang van China groter maar toch nog ver beneden de 'voorspellingen' van bijvoorbeeld Febeltex, de Belgische werkgeversvereniging van de textielsector, die het doemscenario van "een totaal ineenstorten" van onze economie voorhoudt. China heeft de afgelopen jaren ruim 50.000 weefgetouwen in het buitenland aangekocht. Veel van die machines kwamen uit het Ieperse Picanol.

Bij de verkoop van de weefgetouwen wreven de bazen in hun handen, maar nu China die machines gebruikt protesteren ze en herhalen dat de tewerkstelling in Europa in gevaar is. De ironie van de geschiedenis is dat Picanol zijn baas Jan Coene 880 miljoen frank uitbetaalde voor nauwelijks drie jaar werk.

Waarom gold toen de zorg om de werkgelegenheid niet? De Chinezen maken competitieve producten, dat is zeker. Komt dat op de eerste plaats door de lage lonen in China? "Ik denk het niet", zegt bedrijfsleider Stefaan Waeyenberge vanuit het Chinese Wuxi: "De lonen in de Chinese textiel vormen hooguit tien procent van de totale kostprijs." Hoe komt het dan wel? Waeyenberge ziet deze mogelijkheid: "Chinese bedrijven eisen geen teruggave van 15 procent." (7)

Europese bazen en investeerders eisen tegenwoordig inderdaad een jaarlijkse winst van 15 euro per 100 euro geïnvesteerd kapitaal. Als de Chinezen het doen met een teruggave van 4 of 5 procent, kunnen ze hun producten goedkoper op de markt gooien. Het probleem van de Europese textiel- en kledingsector is dus op de eerste plaats een gevolg van de winstzucht van de Europese bazen. De campagne tegen China heeft tot doel deze simpele waarheid te verbergen...

  1. Geciteerd in Eric Bruyland, Neen, ze worden niet gesubsidieerd, Trends, 25 november 2004, blz. 69
  2. Thomas Rumbaugh en Nicholas Blancher, China: international trade and WTO accession, IMF, Working Paper 04/36, Washington, maart 2004, blz. 18, Tabel: China, tariffs
  3. Wu Zongzhi, Le déséquilibre commercial entre la Chine et ses grands partenaires commerciaux, Beijing Information, 46/2004
  4. Ibidem
  5. Hildegunn Kyvik Nordas, The global textile and clothing industry post the agreement on textiles and clothing, World Trade Organisation, Discussion Paper 5, Geneve, 2004, blz. 27, Figure 7
  6. Ibidem, blz. 28, Figure 8
  7. Geciteerd in Eric Bruyland, a.w., blz. 68-69. Solidair 1-2-2005.
©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019