Enkele verslagen van NSF-workshops


 


 

Jan Ilsink (*)

Kees van der Pijl: Noodzaak einde destructieve competitie op wereldniveau

Kees van der Pijl (1) betoogde dat de Sociale Fora, die in 1999 in Seattle zijn begonnen, een wederopleving zijn van de beweging van de zestiger jaren tegen het toenmalige establishment. De na-oorlogse generatie voelde zich eind jaren zestig, begin zeventig, deelgenoot van de mondialisering die zich toen aan het voltrekken was: toegenomen welvaart in westerse landen maakte reizen makkelijker, er werd een netwerk van gedekoloniseerde landen opgebouwd, waaronder de OPEC, die de opbrengst van bodemschatten opeiste; de Vietnamoorlog liet zien dat een land van boeren, dat werd gebombardeerd vanaf 10 km hoogte, de grootste imperialistische macht op de vlucht kon jagen; de Sovjet-Unie bereikte met de VS een pariteit in bewapening waardoor naar onafhankelijkheid strevende landen van het machtsevenwicht konden profiteren.

Deze ontwikkeling dwong imperialistische kringen tot een tegenoffensief. Inflatie in de jaren zeventig had economische problemen en sociale onrust bij grote delen van de middengroepen veroorzaakt. Zij hadden niet als de arbeidersklasse een mechanisme om via loononderhandelingen hun koopkrachtverlies veilig te stellen. Eind jaren zeventig verschaften deze ontevreden middengroepen, de 'fortunisten' van toen, een massabasis aan de regressieve politiek van bijv. Thatcher en Reagan. Deze offensieve reactionaire politiek van eind jaren zeventig, begin tachtig leidde eind jaren negentig tot een wereldwijde protestbeweging, de 'andersglobalisten'.

De eerste ingrijpende politieke stap, die de onafhankelijkheidsambities van de niet-imperialistische landen in de kiem zou smoren, werd echter niet door de regering Reagan genomen, maar door de regering Carter. Deze 'beminnelijke pindaboer', die tot op de dag van vandaag figureert in internationale bemiddelingsfuncties, ging op gezag van de voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve Bank, Paul Volcker, een monetaristische politiek voeren om de zogenaamde 'stagflatie' te beteugelen. Het gevolg was dat de, tot op dat moment 'zachte', dollar een keiharde valuta werd. De in dollars afgesloten schulden van andere, vooral gedekoloniseerde landen, zou daardoor in korte tijd in waarde vermenigvuldigd worden. Deze monetaire politiek bracht de jonge, ambitieuze naties in de jaren tachtig en negentig tot de bedelstaf. Reagan zette deze monetaire politiek voort en nam bovendien het initiatief tot een nieuwe bewapeningswedloop. De ontwikkeling van kruisraketten en de bouw van het 'ruimteschild' (starwars) zou de Sovjet-Unie eind jaren tachtig op de knieën krijgen.

Het wegvallen op mondiaal niveau van een socialistisch blok heeft oude tegenstellingen binnen het kapitalistische, het imperialistische kamp opnieuw doen herleven. Opnieuw groeit de tegenstelling tussen het angelsaksische, atlantische kamp enerzijds en de West-Europese kapitalistische landen anderzijds, die zich oriënteren op economisch groeiende naties in Eurazië en Azië. Een ontwikkeling die de VS met de interventies in o.a. Joegoslavië, Afghanistan, Irak, Oekraïne en Georgië willen dwarsbomen.

Binnen deze nieuwe kapitalistische expansie en botsingen ontwikkelt zich een arbeidersklasse van nieuwe samenstelling en internationale verbindingen. Niet de door Hart en Negri onderscheiden 'multitude', de amorfe bevolkingsmassa die het 'kapitaal' zal zijn ontstegen, zal een antwoord kunnen vinden op de gevaren van de agressieve en desperate acties van het kapitaal, maar deze nieuwe, zich ontwikkelende arbeidersklasse.

Rinze Visser: Gelijke kansen en onderdrukking

Rinze Visser, NCPN-raadslid in Lemsterland, prikte de mythe van gelijke kansen door. Hij gaf als voorbeeld een loterij, waar elk lot evenveel kans heeft te worden getrokken. Als iemand echter 100 loten heeft, dan is er geen sprake meer van 'gelijke kansen'. Ook gaf hij het voorbeeld dat als schaarse goederen op de wereld al zijn ingepikt, 'nieuwkomers' geen kans meer hebben. Diegenen die erna arriveren hebben alleen het nakijken. Als het ernst is met de leuze 'gelijke kansen' dan zal de 'historisch gegroeide ongelijkheid' onder ogen moeten worden gezien en zal een plan moeten worden gemaakt om deze recht te trekken. Bijvoorbeeld door inperking van degenen die 'historisch gegroeide' voorrechten hebben verworven en deze met oorlog trachten te behouden.

Het oplossen van 'ongelijke kansen' eist een politieke visie. De kansloze inwoners van een Afrikaans dorp, die op pad gaan en - hun leven riskerend - via de Canarische Eilanden in Europa aankomen, zullen zonder twijfel tevreden zijn met een loon en levensvoorwaarden die ver onder die van de Europese werkende bevolking liggen. Is er sprake van gebrek aan solidariteit als de werkende bevolking in Europa dit niet pikt en 'gelijk werk, gelijk loon' eist? Rinze benadrukte dat hetzelfde mechanisme verhindert dat in Afrikaanse dorpen wordt geïnvesteerd en werkgelegenheid geschapen en zo de lonen en het levenspeil in Europa verlaagt: blinde winsthonger van transnationale ondernemingen. De van werk en loon afhankelijke bevolking in Afrika en Europa hebben dus dezelfde vijand. Solidariteit tussen de bevolking in Europa en in Afrika moet daarom aan de basis liggen van een gezamenlijke strijd die voor beide perspectief schept.

Sociale rechtvaardigheid is een strijdkreet. Het betekent het streven naar meer gelijkheid. Sociale rechtvaardigheid bindt de strijd aan met het 'recht van de sterkste' dat transnationale ondernemingen opeisen. Solidariteitsacties moeten leiden tot machtsvorming om de schaamteloze plundering van grondstoffen in Afrika te stoppen, de opbrengsten ervan ten goede te laten komen aan de plaatselijke bevolking en om de aanslagen op lonen, uitkeringen en voorzieningen in Europa te verijdelen.

Initiatieven als het Sociaal Forum moeten daarom gericht zijn op en bijdrage leveren aan deze machtsvorming. Zo niet dan werken ze averechts, zaaien verwarring en dragen bij aan vergroting van de ongelijkheid in kansen.

Wil van der Klift en Peter Custers: De functie van vredesmissies in oorlogsvoorbereiding

Wil van der Klift, hoofdredacteur van Manifest, gaat in zijn bijdrage in op het karakter van humanitaire interventies en vredesmissies. Zijn stelling is dat het gaat om moderne instrumenten van het imperialisme om zijn economische, politieke en ideologische belangen veillig te stellen. Humanitaire interventies zijn een moderne vorm van kolonialisme. Hij ontleent zijn bijdrage vooral aan twee boeken: 'Bekentenissen van een economische huurmoordenaar' van John Perkins en 'Oorlog en Vrede in de eenentwintigste eeuw' van Robert Cooper. Perkins was een gerespecteerd lid van de internationale bankwereld, vooral werkzaam als adviseur voor economische 'herstructurering' van ontwikkelingslanden die om kapitaal verlegen zaten. Cooper was jarenlang een belangrijke adviseur van Tony Blair en is nu de hoogste ambtenaar van Javier Solana, de coördinator buitenland van de Europese Unie.

Zowel Perkins als Cooper gunnen een blik in de schaamteloze opvattingen en methoden om de dominantie van het kapitaal te vestigen en te houden. Perkins is zich ervan bewust als economisch adviseur de eerste stappen te hebben moeten zetten in de onderwerping van nationale economieën aan dedictaten van het imperialisme. Twintig jaar geleden is hij al begonnen met zijn boek dat hij opdraagt aan Jaime Roldós, president van Ecuador en Omar Torrijos, president van Panama, die destijds beiden bij ernstige ongelukken zijn omgekomen. Vermoord volgens Perkins. Perkins besefte toen dat als zijn 'economische aanpak' niet het gewenste resultaat zou hebben de volgende stap zou worden gezet: liquidatie van personen die niet wilden meewerken. Cooper is eveneens openhartig over zijn streven naar een nieuwe wereldorde waaraan afzonderlijke landen vrijwillig, met het accepteren van de regels van IMF en Wereldbank, kunnen deelnemen of gedwongen via 'humanitaire interventies'. Cooper is ondubbelzinnig over de militaire aspiraties van de EU om mondiaal een leidende rol te spelen in de vestiging van een liberaal imperium. Zowel Cooper als Perkins onthullen de huichelachtigheid van zogenaamde 'vredesmissies'. Daarachter gaan keiharde economische doeleinden schuil, die uiteindelijk soms ook met militaire en criminele middelen moeten worden bereikt. De militaire avonturen van de VS, veelal voorgesteld als humanitaire interventies, zijn nodig om deze enorme uitgaven voor het publiek te rechtvaardigen. Peter Custers onderschrijft deze opvatting en onderbouwt dit met voorbeelden van de militaire interventie van Frankrijk in Ruanda en recentelijk Ivoorkust.

In zijn bijdrage over het Amerikaanse streven naar militaire wereldoverheersing en het VS-conjunctuurbeleid ging Peter Custers (2) eerst in op het denken van het PNAC (Project for a New American Century). Hij haalde gegevens aan uit een document van het PNAC van 2000, die aangeven dat het PNAC er bewust op heeft aangestuurd dat de Amerikaanse regering de militaire uitgaven in de nieuwe conjunctuurperiode zou gebruiken voor beïnvloeding van het accumulatieproces in de Amerikaanse economie. Zo sprak het PNAC zijn onvrede uit over de vermindering van de militaire uitgaven tijdens Clinton's presidentschap in de negentiger jaren, en pleitte onder andere voor een verhoging van de uitgaven voor grote wapensystemen. In de periode Clinton waren de militaire uitgaven hoog - ongeveer de helft van de militaire uitgaven wereldwijd - maar zij werden inderdaad niet gebruikt om de Amerikaanse conjunctuur te sturen of te beïnvloeden. In zijn document van 2000 pleitte de PNAC onmiskenbaar voor een hernieuwd gebruik van militaire uitgaven voor conjunctuurbeleid, zoals tijdens de tachtiger jaren, i.e. onder president Reagan, gebruikelijk was.

Inmiddels zijn de militaire uitgaven sinds het eind van de negentiger jaren verdubbeld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Steven Koziak, die als onderzoeker verbonden is aan een conservatieve denktank in Washington (het CSBA). Volgens zijn gegevens gaan het Pentagon en andere Amerikaanse ministeries in 2007 zo'n 650 miljard dollar aan militaire uitgaven doen. Dat is meer dan een verdubbeling in vergelijking met de uitgaven in 1998, toen Clinton nog aan de macht was. Onder het presidentsschap van Clinton werd de militaire begroting teruggebracht van 339 miljard dollar tot 279 miljard. Om de optelsom tot 650 miljard dollar te kunnen maken, moeten we bij de officiële uitgaven van het Pentagon onder de defensie-uitgaven van de regeringsbegroting nog een hele serie andere uitgaven optellen. De officiële defensie-uitgaven bedragen al 441 miljard dollar. Daarnaast zijn er onmiddellijke uitgaven in verband met de oorlog in Irak en Afghanistan (50 miljard dollar), een aanvullend verzoek in verband met die oorlogen (67,9 miljard dollar), de uitgaven voor ontwikkeling van nucleaire wapens (onder het ministerie van Energie, het DoE - 21,8 miljard dollar), en ook nog de uitgaven voor 'binnenlandse veiligheid' (een bedrag van niet minder dan 58,3 miljard dollar).

Om de betekenis van die cijfers voor uitvoering van conjunctuurbeleid te kunnen begrijpen, moeten we zowel kijken naar de effecten voor bedrijven inde militaire sector, als naar effecten voor bedrijven in civiele sectoren van de Amerikaanse economie. Effecten voor bedrijven in de militaire sector zijn er via de aanbesteding van wapensystemen, een onderdeel van de militaire begroting dat benoemd wordt als 'procurement'. De effecten voor de civiele sectoren zijn er onder andere indirect via de aanbesteding van wapensystemen, aangezien investeringen in de militaire sector leiden tot aankoop van waren bij civiele bedrijven, door eigenaren van militaire ondernemingen (onderdelen), en ook door werknemers van wapenbedrijven (aankoop van consumptieve goederen). Daarnaast zijn er directe effecten voor een deel van de Pentagon-uitgaven, omdat de defensiebegroting ook uitgaven bevat (voedsel, kleding, etc.), die direct toevloeien naar civiele bedrijven. Om de conjunctuureffecten van militaire uitgaven te kunnen peilen, moeten we die directe en indirecte effecten bij elkaar optellen. Dan pas krijgen we een beeld van de omvang van de economie van de verspilling.

(*) bijdrage Peter Custers door hemzelf aangevuld.

  1. Kees van der Pijl, hoogleraar 'International Relations' Universiteit van Sussex, Groot-Brittannië, auteur van onder meer: The Making of an Atlantic Ruling Class (London: Verso, 1984), Vordenker der Weltpolitik. Einführung in die internationale Politik aus ideengeschichtlicher Perspektive (Opladen: Leske + Budrich 1996), Transnational Classes and International Relations (London: Routledge 1998), Global Rivalries from the Cold War to Iraq (London, Pluto Books; New Delhi, Sage 2006).
  2. Peter Custers is campagnevoerder/activist en schrijver. Als campagnevoerder is hij onder meer betrokken bij XminY Solidariteitsfonds, waar hij zich bezighoudt met Afrika en globalisering. Als schrijver heeft hij zich o.a. verdiept in het thema van wapenproductie/wapenexporten en kritische economische theorie ofwel het marxisme. Over enkele maanden verschijnt zijn lijvige studie 'Questioning Globalized Militarism. Nuclear and Military Production and Critical Economic Theory' (Tulika, New Delhi, India).
©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019