De arbeiders hebben een eigen revolutionaire partij nodig

Wat doen revolutionairen in de vakbonden en wat vragen vakbondsactivisten aan een revolutionaire partij?

Wil van der Klift [*]

Méér dan 100 jaar strijd voor het socialisme bevestigt de stelling van Marx dat de arbeidersklasse haar eigen, revolutionaire partij nodig heeft om de versterkte burcht van het kapitalisme in te nemen. De burgerij heeft haar hoofdkwartieren, de arbeidersklasse heeft ook een hoofdkwartier nodig.

De ontaarding en de uiteindelijke val van de socialistische regimes in het Oostblok ondersteunt die stelling. Hieronder, in twee delen, een - enigszins geactualiseerd - artikel dat ik begin 1996 schreef en dat al eerder in Manifest werd geplaatst. Omdat de inhoud weer uiterst actueel is kan plaatsing een bijdrage zijn aan het noodzakelijke debat over de rol van de NCPN en het belang van deelname aan de vakbondsstrijd.

"Er wordt momenteel (na de val van het reëel bestaande socialisme, nvdr) intens gediscussieerd over de vraag wat nu het fundamentele probleem was waarop de socialistische regimes in het Oosten schipbreuk leden. In de ogen van het imperialisme lag het kwaad bij de leidende rol van de leninistische partij, die een daadwerkelijk pluralistische democratie onmogelijk maakte: dat is de wortel van het 'totalitarisme'. Welnu, na de ineenstorting van de communistische partijen in Polen, Hongarije, de DDR hebben we overal een menigte partijen als giftige paddenstoelen uit de grond zien rijzen... allemaal betaald door het westerse imperialisme en het er roerend mee eens dat het totalitarisme van de vrije markt verdedigd moet worden. (Nu beoogt het 'vrije Westen' meerpartijen in onder meer China en Cuba te realiseren, nvdr). Meerdere burgerlijke partijen oprichten, dat is niet het socialisme voorzien van verschillende partijen, dat is overstappen van het ene regime naar het andere, van het socialisme naar het kapitalisme. Het meerpartijenstelsel bracht helemaal geen socialistische democratie, het brengt zuivere kolonisatie door het westerse imperialisme. Wij denken dan ook dat het fundamentele probleem voor elke socialistische maatschappij daarom is: het behoud van de zuiverheid en de strijdbaarheid van de communistische partij." [1]

De hoofdtaak in de strijd voor het socialisme is de opbouw van een revolutionaire partij die sterke banden heeft met de massa's en die trouw is aan het marxisme-leninisme. Zo'n partij organiseert de bewuste voorhoede van de massa's, organiseert de meest actieve arbeiders, ambtenaren en intellectuele werkers en heeft in haar rangen een groot aantal actieve vakbondskaderleden.

Strijdbare vakbondsactivisten, actieve vakbondsleden zullen in zo'n partij een visie én een organisatiekracht vinden die nooit door andere actiegroepen of vakbondskernen opgebracht kan worden. Zonder (goede) marxistisch- leninistische partij kan een linkse vakbondsactivist nooit de wetenschap van het marxisme verwerven en een organisatie uitbouwen die het hele proces van de klassenstrijd tot aan de revolutie kan leiden. Hoe sterker de ideologische druk, hoe meer de noodzaak van een revolutionaire analyse, politieke lijn en organisatie zich laat voelen. Om stand te houden in de klassenstrijd en tegen de reformistische capitulatie is een breed communistisch zicht op de geschiedenis, de klassen, de economische wetten en de revolutie onmisbaar. Van strijdbare vakbondsactivist tot communist is een kwalitatieve sprong waarvoor bewust gekozen moet worden. Maar andersom moet daar dan ook bewust door de communistische partij aan worden gewerkt. Zo'n kwalitatieve sprong zal uitblijven zonder goede leiding van de partij. In zo'ngeval moet eerst en vooral de kwaliteit van de partij worden versterkt.

De burgerij vecht ook voor haar visie in de vakbond

Er werd de communistische partij soms verweten de vakbeweging te 'misbruiken' om voor haar eigen politiek te vechten. Maar wat betekent het dan als vakbondsleiders de regeringspolitiek mee uitwerken zoals dat in toenemende mate gebeurt; als vakbondsleiders de argumenten van de werkgevers over concurrentiepositie, soberheid en verantwoordelijkheidszin doordrukken, vaak met weinig democratische methodes? Als vakbondsleiders zoals Kok en veel anderen naar de andere kant van de tafel overlopen? Als de FNV zegt nog jaren loonmatiging voor werk te willen voortzetten? Als de nieuwe CNV-voorzitter een fijn werkklimaat en harde eisen niet meer bij deze (crisis)tijd vindt passen?

"Ondanks deze nog nooit vertoonde winstgroei blijven ABN-AMRO, ING, RABO-bank etc. hun personeelsbestand inkrimpen. Tegenover de miljarden winsten staat verlies aan arbeidsplaatsen. De bonden in Nederland matigen al jarenlang hun looneisen bij de banken in ruil voor een vierdaagse werkweek om zodoende gedwongen ontslagen te voorkomen. Nu blijkt dat de leden van de FNV jarenlang voor niets hun lonen gematigd hebben. Want de FNV is als eerste bond overstag gegaan en wil nu meewerken aan gedwongen ontslagen." [2] (Dit citaat is uit 1995, maar kan op dit moment zo weer worden gebruikt, nvdr).

Communisten horen op een correcte manier (d.w.z. met respect voor democratisch genomen vakbondsbeslissingen en met respect voor de regels van een massaorganisatie) aan de versterking van de vakbonden te werken en zij doen dat meestal ook. Dit kan niet gezegd worden van hen die de meest radicale krachten uitsluiten, vervolgen, op straat laten gooien door de werkgevers en op die manier het hart van de vakbond aantasten.

VVD, CDA, PvdA en PVV zijn burgerlijke partijen die in de eerste plaats de instandhouding van het systeem beogen en daarbinnen in mindere of meerdere mate opkomen voor 'hervormingen'. Aan de essentie, de vrije markt (een andere term voor 'dictatuur van een minderheid') mag niet geraakt worden. Daarom handelen zij onherroepelijk in het denkkader en binnen de grenzen van de kapitalistische economie en de burgerlijke machtsorde. De politieke greep van CDA en PvdA op de vakbonden is een essentieel element van hun controle over de massa. Of: Een sociaal- of christendemocratistische politieke beweging zonder invloed in de vakbeweging is ten dode opgeschreven. Dat maakt op dit moment vooral de PvdA mee nu een groot deel van hun vakbondsaanhang (tijdelijk?) is overgelopen naar de SP en deels de vakbondsstrijd heeft opgegeven.

Het gevecht tussen de reformistische en de revolutionaire politieke partijen voor de verovering van de werkende massa wordt in de eerste plaats uitgevochten binnen de vakbonden. Het is voornamelijk via de vakbonden dat de reformistische partijen een steunpunt binnen de werkende klassen verwerven en behouden. Omdat zij op de vakbonden konden steunen slaagden de reformistische leiders er steeds weer in op belangrijke ogenblikken de arbeidersrevolutie tegen te houden, de strijdbaarheid te laten verdampen en de macht van het kapitaal overeind te houden.

De meest klassenbewuste arbeiders of werkers moeten ernaar streven om de vakbond van binnenuit te radicaliseren. Op de eerste plaats verwachten de massa's een consequente verdediging van hun belangen door hun vakbondsverdedigers. De posities van de kaderleden zijn vaak van doorslaggevend belang voor het op gang brengen en het slagen van de strijd. Hun standpunten insociale en politieke kwesties (bijv. de strijd tegen het racisme) hebben een directe invloed op de massa. Zij hebben de beste positie om opvoeding te geven, om verkeerde ideeën te bestrijden.

Kaderleden staan in dagelijks contact met de arbeiders en ambtenaren en worden dus ook voortdurend geconfronteerd met de verwachtingen en actieverlangens van de basis. Als ze die negeren komen ze onder druk van de achterban te staan en riskeren zij vroeg of laat hun aanhang te verliezen.

Tenslotte zijn zij ook de enige krachten die binnen de vakbondsstructuren wezenlijke veranderingen kunnen afdwingen. Geen enkele vakbondsleider of bestuurder kan het gedurende langere tijd volhouden tegen de wil van de vertegenwoordigers van de basis in. De steun van de massa is de enige fundamentele kracht om de vakbond van binnenuit weer gezond te maken.

Het verleden van de vakbonden in Nederland wordt gedomineerd door hun band met de traditionele burgerlijke partijen, de christendemocratie en de sociaaldemocratie. Een grote groep vakbondsbestuurders met een sociaaldemocratische achtergrond nam nog kortgeleden collectief afstand van het gedrocht met de naam 'Pensioenakkoord'. Veel strijdbare vakbondsleden zien - sinds het Akkoord van Wassrnaar en de daarop volgende beruchte WAO-maatregelen van m.n. de PvdA-er Kok - steeds meer in dat die partij hun belangen niet (meer) dient. Zij nemen dan ook afstand ten opzichte van die partij. Het afstand nemen van de burgerlijke politieke stromingen die het kapitalisme besturen en het staatsapparaat bevolken, zou ongetwijfeld een positieve invloed kunnen hebben op de herleving van een klassenbewuste vakbondsstrijd. De cruciale vraag blijft echter open: welke politiek stelt men in de plaats? Is het een echte ideologische breuk met het reformisme of is het alléén een formele breuk? Leidt de breuk tot passivisme of tot nieuwe vormen van actie en klassenstrijd?

Verschillende linkse vakbondsactivisten zijn de laatste jaren onder de ideologische druk bezweken. Ook al blijven zij strijdbaar, toch zijn verschillende onder hen met politieke capitulatieprogramma's opgetrokken. Sommigen waren de eersten om te kiezen voor 'offensieve inlevering' omdat zij hoopten op die manier de solidariteit binnen de arbeidersklasse te herstellen (arbeidsduurvermindering met loonverlies, werk voor loon, e.d.). Anderen kozen voor medebeheer rond welbepaalde doelen en raakten hiermee verzeild in een werkgeversstraatje zonder eind. Weer anderen lieten ontmoedigd alles schieten of verloochenden hun vroegere idealen. Zonder een marxistisch-leninistische partij kan zelfs de meest strijdbare vakbondsactivistist nooit consequent het reformisme blijven bevechten en verslaan. En dat was feitelijk het geval. De CPN gaf uiteindelijk op geen enkele wijze meer leiding aan de strijd, maar ook het VCN en de NCPN kwamen niet toe aan de uitvoering van een doeltreffende vakbondspolitiek. De NCPN zal die taakstelling dan ook de komende periode centraal moeten stellen.

De vakbonden omvatten, als enige organisaties, alle groepen uit de werkende klasse

Er wordt de laatste jaren veel gepraat over de ineenstorting van de vakbonden. Onderstaand citaat is daar een aardig voorbeeld van. Het komt uit een artikel met de kop: "De vakbeweging is dood". Veelzeggender kan eigenlijk niet.

"Bovenstaand citaat geeft weer hoe zwak de vakbonden in Nederland staan. Bestuurders die elke principiële strijd vermijden en principe na principe uitverkopen om maar niet 'buitenspel' te worden gezet. Het is een club van beroepsbestuurders geworden die de beweging alleen maar zien als een (tijdelijke) plaats voor hun loopbaancarrière." [3]

Maar sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging hebben de arbeiders in Nederland praktisch geen andere vorm van strijdorganisatie gekend dan de vakbonden. Ook al bestond en bestaat er veelal een scherpe kloof tussen top en basis, ook al stond en staat de vakbondsleiding soms haaks op de verwachtingen van de massa; de historische ervaring heeft aangetoond dat de werkers in moeilijke omstandigheden steeds weer op de vakbonden terugvallen. Het specifieke kenmerk van de vakbeweging bestaat er nu juist uit dat het offensief tegen de vakbondsrechten, de vermindering van de sociale uitkeringen, de afbraak van de lonen, de arbeiders verplichten zich nog nauwer aaneen te sluiten rond de vakbonden. En dat, óndanks afwezigheid van verzet tegen die maatregelen door de reformistische vakbondsleiders. De arbeiders wilden en willen in de vakbond de strijdbare vertegenwoordigers zien van hun meest dringende klassenbelangen.

De vakbonden voor dood verklaren of ze eigener beweging verlaten of willen verlaten is onjuist. Communisten horen in de vakbeweging actief te zijn. Veel kameraden hebben besloten deze taak te laten vallen, omdat zij de aantrekkingskracht miskennen die de vakbonden uitoefenen op de arbeiders, en ook omdat ze capituleren voor de moeilijkheden van het werk binnen de reformistische vakbonden. Zij spreken over het gebrek aan democratische invloed, over het gebrek aan strijdbaarheid, over de lage opkomst op de ledenvergaderingen. Er zijn er zelfs die publiekelijk beweren dat het tegenwoordig gebruikelijk is dat vakbondsvergaderingen nog maar door één man worden bezocht. Het zal hier en daar wel voorkomen, maar het is zeker geen regel. Zulke 'informatie' is daarom onjuist en desoriënterend.

Het ledenaantal is daarentegen nog altijd relatief hoog en veel bewuste arbeiders zijn in de vakbeweging georganiseerd. Het is daarom van het grootste belang dat een communistische partij haar leden oproept actief in de vakbeweging op te treden. En het is - aan de andere kant - voor een revolutionaire partij zeer schadelijk als zij niet beschikt over een groot aantal vakbondskaders.

Niet werken in de bestaande vakbonden betekent massa's die in de vakbond georganiseerd zijn overlaten aan de reformistische leiders. Het is een onvergeeflijke veronachtzaming van de revolutionaire taken.

Lenin: "Het is niet moeilijk een revolutionair te zijn wanneer de revolutie is uitgebroken, reeds is ontbrand, wanneer alle mogelijke mensen zich bij de revolutie aansluiten... Het is veel moeilijker, en van veel meer waarde, dat men de kunst verstaat een revolutionair te zijn, wanneer de voorwaarden voor de directe, openlijke, werkelijke revolutionaire strijd van de massa's nog niet aanwezig zijn; dat men de kunst verstaat op te komen voor de belangen van de revolutie (door propaganda, agitatie en organisatie) in niet-revolutionaire, vaak zelfs in beslist reactionaire instellingen, in een niet-revolutionaire situatie onder een massa die niet in staat is om onmiddellijk de noodzakelijkheid van de revolutionaire strijdmethode te begrijpen." [4]

Het belang van het werk in de bestaande vakbonden kan men ook afmeten aan de ijver waarmee rechtse elementen in de vakbondsleiding zich, tot een jaar of 10 geleden, inspanden om aan communisten hun posities of zelfs hun lidmaatschap van de vakbond te ontnemen. De actieve steun, die werkgevers en veiligheidsdiensten hieraan verleenden en morgen weer gaan verlenen - indien nodig - bewijst hoe duidelijk zij beseffen dat een communistische positie in de vakbonden een bedreiging vormt voor hun ideologische en organisatorische greep op de werkers. Dat die situatie op dit moment nauwelijks nog plaatsvindt bewijst eens te meer hoe weinig gevaar men nog ducht van de NCPN.

Zonder marxistisch-leninistische partij geen effectief vakbondswerk mogelijk

De organisatie van het proletariaat in een - eigen niet-burgerlijke - politieke partij is een absolute noodzaak voor de overwinning van de sociale revolutie en voor het bereiken van haar hoogste doel: de afschaffing van de klassen. De vereniging (coalitie) van de arbeiders, die reeds bereikt is in de economische strijd moet in handen van deze klasse ook als hefboom dienen voor de strijd tegen de politieke macht van de uitbuiters.

De hele officiële en liberale wetenschap verdedigt op de één of andere wijze de loonslavernij, terwijl het marxisme er een onverzoenlijke oorlog tegen verklaart. De leer van Marx geeft een coherente visie op de wereld, een visie met een duidelijk klassenkarakter en een praktisch karakter. Elke vakbondsactivist wordt zo voor de keuze gesteld: ofwel schoolt hij zich in de marxistische kennis, ofwel maakt hij een mengsel van klasseninstinct en een keuze uit allerlei burgerlijke theorieën. Een derde weg, een soort van onafhankelijke vakbonds('arbeiders')leer, is er niet.

Lenin: "Kan er van een zelfstandige door de arbeidersmassa's zelf in de loop van de beweging uitgewerkte ideologie geen sprake zijn, dan komt de kwestie hierop neer: burgerlijke of socialistische ideologie. Een tussenweg bestaat hier niet (want een 'derde' ideologie heeft de mensheid niet uitgewerkt en in het algemeen kan er ook in een maatschappij, die door klassentegenstellingen uit elkaar wordt gescheurd, geen buiten of boven de klassen staande ideologie bestaan). Daarom betekent elk naar beneden halen van de socialistische ideologie, elk zich daarvan verwijderen, tevens een versterking van de burgerlijke ideologie." [5]

Er is voor de vakbeweging en voor elke activist slechts één weg om zich op ideologisch vlak totaal vrij en onafhankelijk te maken van alle burgerlijke denkbeelden. Die weg bestaat uit de nauwgezette studie van het wetenschappelijk socialisme en in de toepassing ervan op de werkelijkheid van vandaag. Die studie en toepassing kan een strijdbaar vakbondslid vinden in een marxistisch-leninistische partij, als die de naam tenminste waard is en waarmaakt.

De strijd die de arbeiders spontaan voeren tegen de werkgevers, heeft tot doel de voorwaarden te verbeteren waaronder de arbeiders hun arbeidskracht moeten verkopen aan de bazen. De vakbondsstrijd is daar de uitdrukking van en doorbreekt dus niet het kader van een strijd voor lotsverbetering, hoe radicaal en hoe algemeen die strijd ook gevoerd wordt. De strijd voor de bevrijding uit de uitbuiting is van een andere orde: het is een strijd voor de omverwerping van het economische systeem, dat de arbeiders verplicht om elke dag hun arbeidskracht te verkopen. Dit systeem wordt in stand gehouden door de kapitalistische staat, die over legers, rechtbanken en gevangenissen beschikt om de arbeiders en werkers te onderdrukken; en over (invloed op de) media om de arbeiders te desinformeren en te misleiden. Om zich van de uitbuiting te bevrijden, moeten de arbeiders de economische strijd doelbewust verbinden met de strijd om de politieke macht, d.w.z. de strijd voor de vernietiging van de kapitalistische staat en voor de opbouw van een socialistische. Door op een simplistische wijze de economische strijd gelijk te stellen aan de strijd voor de bevrijding van de uitbuiting, kan men al deze opdrachten met één zwaai van tafel vegen en laat men het politieke terrein volledig over aan reformistische en andere burgerlijke partijen.

Overschatting van de economische strijd leidt tot een grondige onderschatting van en zelfs tot een verzet tegen de politieke mobilisatie van de arbeidersklasse. Wie alleen maar dweept met de 'onmiddellijke economische strijd' zal de arbeiders- en vakbeweging in allerlei politieke kwesties afhankelijk maken van de politiek, die door de burgerlijke - met inbegrip van de reformistische - partijen wordt uitgewerkt.

Hun gemeenschappelijke lot (veelal echter niet onmiddellijk zichtbaar of voelbaar) kan de arbeiders tot het gemeenschappelijke inzicht brengen dat zij zich moeten verenigen om van de ondernemers en overheid betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Het schept een zekere openheid voor het socialistische ideeëngoed. Maar de objectieve situatie op zichzelf volstaat niet om het inzicht bij te brengen in de voorwaarden, die noodzakelijk zijn om zich van de uitbuiting te bevrijden. Een arbeider kan zeer actief zijn in de economische strijd maar politiek lid worden van de populistische PVV. Zoals er andere arbeiders zijn die de weg naar de bevrijding zien via het sociaaldemocratische of christelijke reformisme, via het liberalisme of nog anderen zelfs via het fascisme. Al deze partijen denken en handelen binnen het kader van het kapitalisme. Om echt te kunnen strijden voor de bevrijding van zijn klasse uit de kapitalistische uitbuiting moet een arbeider:

  1. a. de mechanismen en de wetten van het kapitalisme als een geheel systeem begrijpen. Zijn baas is slechts één radertje in dit globale systeem. Zonder dit inzicht kan men de verantwoordelijkheid voor zijn objectieve situatie leggen bij het wanbeleid of de onbekwaamheid van de ondernemers.
  2. b. Het lijden van alle onderdrukte klassen, hier én in de derde wereld kennen en de strijd van deze klassen ondersteunen. Zonder dit inzicht en deze steun kunnen arbeiders de verbetering van hun lot proberen te halen uit uitbuiting van de derde wereld. Wie de imperialistische politiek van zijn burgerij ondersteunt zal niet strijden voor de omverwerping van de kapitalisten, en zonder dat is de bevrijding van de uitbuiting niet mogelijk.
  3. c. De rol van de staat (met inbegrip van het parlement) als instrument van de kapitalistenklasse doorzien; de fundamentele politieke opstelling van de burgerlijke (reformistische) partijen doorzien. Die inzichten ontstaan niet spontaan uit de strijd, maar moeten in de arbeidersklasse binnengebracht worden door intellectuelen en arbeiders, die het wetenschappelijke socialisme door studie hebben verworven.

De vakbond is ook niet de hoogste - of voor sommigen de enige - organisatievorm van de werkers, die alle andere arbeidersorganisaties animeert en moet leiden. Opdat de vakbond ook werkelijk haar kracht zal aanwenden voor de vernietiging van het kapitalistische systeem en voor de opbouw van een socialistische maatschappij, is er de leiding nodig van een revolutionaire partij, die zich baseert op het wetenschappelijk socialisme en in staat is om het reformisme te doorzien en er zich van af te bakenen. Zo niet dan zal de vakbeweging in de fundamentele kwestie van de politieke en economische macht steeds bedrogen worden door het reformisme.

Vakbondspolitiek in een revolutionaire partij

Waarom slaagde de KPD (Kommunistische Partei Deutschland), die de enige politieke kracht in het vooroorlogse Duitsland was, die consequent het opkomende fascisme bestreed, ondanks een grote massabasis er toch niet voldoende in om de invloed van het reformisme op beslissende wijze te verslaan en echte massabewegingen tegen het fascisme op gang te brengen? Twee grotefouten werden er vastgesteld. Vooreerst, aldus Piatnitzky, een van de leiders van de Derde Internationale, "onderscheidde de werking van een aantal communisten in de vakbonden zich niet veel van die van de reformisten." Deze communisten verklaarden dat het onmogelijk was te strijden wanneer de vakbondsleiders niet wilden meedoen. Vaak gaven zij zelfs hun goedkeuring aan afdankingsplannen en loonsverlagingen. Het gevolg van dit alles was dat de massa's zich van die communisten verwijderden.

Maar belangrijker nog bleek een andere afwijking: "Er werd totaal onvoldoende gewerkt in de vakbonden." In de KPD bleken er heel wat sektarische standpunten te bestaan die het belang van het vakbondswerk onderschatten. Zo werd de aantrekkingskracht van de reformistische vakbonden op de massa onderschat. Vrijgestelden en vakbondsleiders werden in de dagelijkse praktijk vrij vlotjes gelijkgesteld met de ondernemers of met het staatsapparaat. Gevolg: geen eenheidsfrontpolitiek, geen politiek om druk uit te oefenen zodat de vakbondsleiders en de vrijgestelden wel de verdediging van de arbeidersbelangen zouden opnemen. Deze en andere standpunten bemoeilijkten niet alleen het eenheidsfrontwerk, zij leidden ook tot een ware uittocht van de communisten uit de vakbonden. Kameraden die terugschrokken voor de reële moeilijkheden van het vakbondswerk, klampten zich aan die standpunten vast. Strijdbare arbeiders die revolutionair werk wilden verrichten stopten het vakbondswerk uit vrees om opportunistische fouten te maken." [6]

In de NCPN kunnen we een vergelijkbaar proces waarnemen. Er wordt onvoldoende strijd bínnen de vakbeweging gevoerd tegen de reformistische tendensen. De NCPN dreigt zo het verzamelpunt te worden van communisten die het moeilijke werk binnen de vakbond hebben opgegeven of er zelfs nooit aan zijn begonnen, maar wel van de zijlijn roepen hoe het moet, zonder dat er leiding wordt gegeven aan de sociaaleconomische strijd. Door niet (meer) in de reformistische vakbonden te werken zonderen communisten zich af van die krachten die binnen de vakbeweging de meerderheid van de arbeiders blijven organiseren.

De massa winnen voor een revolutionaire politiek is onverbrekelijk verbonden met het vakbondswerk. De vakbonden zijn de enige massaorganisaties van de werkende bevolking. Zij organiseren een belangrijk deel van de hoofd- en handarbeiders. De werkers kunnen vakbondsvertegenwoordigers kiezen die uit hun eigen rangen komen. De praktijk van alle stakingen toont aan dat een belangrijk deel van de werkers steeds kijkt naar wat die gekozen kaders doen. Of vakbondskaders op een goede of slechte manier optreden, maakt een ontzettend groot verschil uit voor het klimaat en het zelfvertrouwen onder die massa. De strijd tegen de opeenvolgende bezuinigingen onder Lubbers, Kok en Balkenende toonde hoe belangrijk het is of de vakbondsleiding die strijd steunt of saboteert, afremt of minstens passief laat ontwikkelen.

Zonder de 'Kokken', de 'De Waalen' en de 'Jongeriussen' waren veel aanvallen op het levenspeil veel beter te bestrijden geweest. Delen van de bezoldigde leidingen laten hun vakbondsactivisten aan de basis voortdurend in de kou staan op de cruciale momenten. Anderen trachten met moeite een progressieve koers te varen. De uitkomst van het laatste congres van de Abvakabo FNV brengt de mogelijkheid van een progressievere koers stappen dichterbij, juist op een zeer cruciaal moment. Een vakbondsactivist kan afhaken of met verdubbelde inzet aan het werk gaan om de vakbond van binnenuit te vernieuwen. Het is duidelijk dat de laatste keuze de moeilijkste, maar juiste is.

Vroeg of laat zullen dezelfde situaties zich opnieuw voordoen. Een consequent vakbondskader trekt daaruit lessen en besluit het de volgende keeranders aan te pakken. Hij zal nieuwe krachten rond zich verzamelen, hen vormen en voorbereiden op de komende klassenstrijd. De burgerij kent zéér goed de kracht van een georganiseerde en ideologisch geschoolde voorhoede.

Tot wat bewuste, revolutionair gezinde vakbondsactivisten in staat zijn, hoe zij binnen de vakbond en onder de massa onweerstaanbare krachten in beweging kunnen brengen, wordt aangetoond door de acties in de strokarton en de havens in het verleden. Maar ook op tal van plaatsen en momenten in het recente verleden. Dat veel successen maar een tijdelijk karakter hadden hangt onmiddellijk samen met de zwakte van het communisme in Nederland.

Waar in een, inmiddels al weer ver verleden, de CPN talrijke acties ontwikkelde en steunde, was het VCN daartoe al niet meer bij machte en heeft de NCPN op dit punt ook nauwelijks nog praktijk. De partij zal de komende periode meer dan ooit moeten inzetten op het ontwikkelen van een sterkere vakbondspolitiek.

Noten:


[1] Ludo Martens, 1 mei-toespraak 1990. Solidair nr. 19/1990.
[2] Stukjes zijn overgenomen uit Promotor 81, 22 december 1995, uit het artikel met de veelzeggende - onjuiste - kop 'De vakbeweging is dood'.
[3] idem
[4] Lenin, De linkse stroming, kinderziekte van het communisme, 1920.
[5] Lenin, Wat te doen?, 1902.
[6] idem

[*] Dit artikel is een vrije bewerking van een deel van hoofdstuk V uit "De tijd staat aan onze kant", vakbondsmilitant in de jaren '90, Jo Cottenier en Kris Hertogen, uitgeverij EPO (ISBN 90 6445 568 6).

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019