Wereldconferentie in Rio de Janeiro in juni (Rio+20)

Ook de vakbonden mobiliseren

klimaat.jpg

Bert De Wel (Wiebe Eekman)[1]

Twintig jaar na de Earth Summit (UNCED, 1992) vindt in juni 2012 in Brazilië opnieuw een conferentie van de Verenigde Naties plaats over duurzame ontwikkeling (UNCSD). Het belang ervan is groot, omdat het een unieke gelegenheid is om een nieuwe en absoluut noodzakelijke impuls te geven aan een duurzamere ontwikkeling van onze planeet. (...)

De internationale vakbeweging (IVV) heeft een lijstje gemaakt met verwachtingen voor deze conferentie.

Rio+20: Vergroening van de economie en armoedebestrijding

1. Zorg voor sociale bescherming

Armoede maakt mensen kwetsbaar voor milieurampen, o.a. ten gevolge van de opwarming van de aarde. Verlies aan inkomen door de economische en milieucrisissen zorgt er voor dat de armste bevolkingsgroepen nog meer in moeilijkheden komen. Het economisch model moet aangepakt worden om deze crisissen te vermijden en om armoede structureel aan te pakken. Dit kan via sociale transfers, inkomensverzekering, gezondheidszorg, kinder- en moederbescherming, werkloosheidsuitkeringen, kwalitatieve openbare diensten, aangepaste voedselvoorziening, huisvesting, onderwijs, enz.

Rio+20 moet een duidelijke boodschap afgeven over de sterke link tussen goed uitgebouwde sociale zekerheidssystemen en de kracht van de bevolking om een antwoord te kunnen bieden op de economische en milieucrisissen. Dit is een essentieel punt van echte duurzame ontwikkeling. Zorgen voor een sterke sociale zekerheid is een boodschap voor alle landen. (...) Sociale bescherming is één van de vier pijlers van waardig werk (naast tewerkstelling, bescherming van fundamentele rechten op het werk, en sociale dialoog).

2. Neem een beslissing over de invoering van een Financiële Transactietaks

De kloof tussen de middelen die nodig zijn voor duurzame ontwikkeling en het geld dat effectief op tafel ligt is enorm. Het gaat zowel om middelen voor de landen in het Zuiden als om geld om in het Noorden te investeren in duurzame ontwikkeling. Zo goed als geen enkele belofte met betrekking tot financiering (bv. 0,7% voor ontwikkelingshulp, die nu in Nederland nog verder onder druk lijkt te komen, nvdr) van de afgelopen twintig jaar is nagekomen. (...) De internationale arbeidersbeweging is er van overtuigd dat een Financiële Transactietaks (FTT) noodzakelijk is voor een nieuw financieringsmodel. De impact van ongecontroleerde en ongereguleerde financiële markten, die in het Westen voor een enorme crisis hebben gezorgd, heeft ook grote gevolgen voor het Zuiden. De staats- en regeringsleiders moeten zich op de Conferentie in Rio engageren over de invoering van een Financiële Transactietaks.

3. Zorg voor een groene economie die bijdraagt aan armoedebestrijding

Wereldwijd is er stijgende werkloosheid en voor degenen die werk hebben stijgt het risico op flexibele arbeidsomstandigheden en armoede. De volgende 10 jaar komen er bijna een half miljard jonge mensen bij op de arbeidsmarkt. Een groene economie die geen rekening houdt met de uitdagingen van de arbeidsmarkt is politiek niet haalbaar en zeker niet duurzaam. Sinds een aantal jaren pleit de internationale vakbeweging voor groene en waardige banen en voor een 'rechtvaardige transitie' naar een duurzame samenleving.(...). Om de steun van de werknemers te krijgen, zal de groene economie moeten aantonen dat ze kan zorgen voor sociale vooruitgang en rechtvaardigheid. De groene economie zal zich duidelijk moeten onderscheiden van de neoliberale fundamentalistische benadering van de economie. Daarom wil de Internationale Vakbeweging in het kader van Rio+20 een discussie over een aantal principes waarop de 'groene economie' moet zijn gebaseerd.

De 10 principes van het IVV voor de groene economie zijn de volgende:

  1. Een groene economie moet zorgen voor een billijke verdeling van de welvaart tussen de landen en in de landen. De verdeling van kosten en baten moet rechtvaardig gebeuren. Het wereldwijde onevenwicht tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden moet worden rechtgetrokken. Ook binnen landen stijgt de inkomensongelijkheid. De groene economie mag hiertoe niet bijdragen (bv. verdelingsaspecten van milieuheffingen).
  2. Een groene economie moet inclusief zijn. Jongeren, vrouwen, armen en laaggeschoolden moeten een plaats krijgen in de groene economie. Ook mensen in de informele sector, met slecht betaalde en ongezonde banen, moeten op weg gezet worden naar een waardige baan.
  3. Groene banen zijn waardige banen. Een groene baan draagt bij tot de vermindering van de milieu-impact van bedrijven en economische sectoren tot een duurzaam niveau, terwijl fatsoenlijke arbeids- en levensomstandigheden gegarandeerd worden en de werknemers- en arbeidsrechten worden gerespecteerd.
  4. Bescherming van de rechten van werknemers en vakbonden. Banen in nieuwe groene sectoren kunnen gepaard gaan met slechtere arbeidsomstandigheden dan in traditionele sectoren waar werknemers zich sinds decennia georganiseerd hebben. Vakbonden ondersteunen enkel een transitie indien die zorgt voor werkzekerheid en dit kan alleen met sterke collectieve arbeidsovereenkomsten. Als werknemers zich kunnen organiseren in vakbonden kunnen ze zorgen voor waardigheid op de werkplek, een eerlijk loon, verdediging tegen discriminatie en kunnen ze genieten van een behoorlijke levensstandaard. Deze garanties zijn nodig om met de vakbonden te kunnen werken aan de bescherming van het milieu.
  5. Sociale doelstellingen realiseren en voldoen aan menselijke behoeften op de lange termijn. De groene economie moet zorgen voor sociale vooruitgang en er voor zorgen dat op zijn minst overal in de basisbehoeften zoals toegang tot water, voedsel, huisvesting, energie, gezondheid, transport en cultuur wordt voorzien.
  6. Het 'uitwringen' van werknemers in het huidig economisch model stopzetten. Bedrijven en overheden zijn er voortdurend op uit om hun internationale competitiviteit op te drijven door te snoeien in de loonkosten. Dit wordt gecombineerd met de overexploitatie van schaarse natuurlijke grondstoffen en energie. Terwijl de arbeidsproductiviteit aanzienlijk toegenomen is, is dit niet het geval met het grondstoffen- en materialengebruik. De groene economie moet zorgen voor volledige werkgelegenheid samen met het optimaliseren van grondstoffen- en energieverbruik.
  7. De overgang naar een groene economie moet gebeuren via een 'rechtvaardige transitie'. Er moet bijzondere aandacht uitgaan naar de economische sectoren die getroffen zullen worden door de vergroening. Dit mag niet ten koste gaan van de werknemers en hun families in die sectoren. Een 'rechtvaardige transitie' moet gepaard gaan met een duurzaam industrieel beleid, actief arbeidsmarktbeleid, inkomensbescherming, omscholing en vorming, constructieve sociale dialoog, onderzoek vooraf naar de mogelijke gevolgen, investeringen op lokaal niveau en economische diversificatie.
  8. Een verbreding van de stelsels voor sociale bescherming. Investeringen in sociale zekerheid en gezondheidsvoorzieningen zijn zeker zo belangrijk als investeringen in bijvoorbeeld nieuwe energiebronnen om te zorgen voor een veerkrachtige samenleving die effectief de armoede kan bestrijden. Landen die nog geen sociale zekerheid hebben moeten zorgen voor een sociale beschermingsvloer (zie Social Protection Floor Initiative) en alle landen moeten de IAO-conventie 102 ratificeren.
  9. Democratische besluitvorming. De bevordering van democratische processen die het maatschappelijk middenveld en burgers betrekken bij de besluitvorming is essentieel. Het zoeken naar de meest efficiënte en geschikte oplossingen en maatregelen en de uitvoering ervan, kan niet zonder de geïnformeerde deelname van iedereen, in het bijzonder de getroffen bevolkingsgroepen.
  10. De groene economie moet verankerd worden in de reële economie, niet in de speculatieve economie. Kortetermijnspeculatie leidt tot bubbels die gezorgd hebben voor de economische crisis van vandaag. Een groene economie zorgt voor een strikte regulering van de financiële markten, de spelers op die markten en de diensten die geleverd worden. Dit betekent o.a. een belasting op speculatieve geldstromen om speculatie te controleren.

Noot

[1] Vaak hoor ik zeggen dat de vakbonden eerder "conservatief" zijn in de klimaatkwestie en het streven naar een duurzame economie. Dat klopt niet met de werkelijkheid. Daarom laat ik deze keer Bert De Wel (Studiedienst ACV) aan het woord. Bert is de klimaatman in de studiedienst van de grootste Belgische vakbond, het ACV-CSC. Dit artikel verscheen eerder in 'Arbeid en Milieu'. Ik heb het wel ingekort, Wiebe Eekman.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019