De crisis begrijpen

Wij gaan hun crisis niet betalen! (Foto: Han Soete/Flickr/cc/by-nc-sa)
Op 26 januari jl. vond een grote manifestatie plaats van professoren, die eisten dat Portugal niet een land zonder toekomst wordt, gezien de bezuinigingen op hoger onderwijs. (Foto: PCP)

Zoltan Zigedy

De zevendelige serie over de wereldwijde economische crisis in de Socialist Voice (SV), het maandblad van de Communistische Partij van Ierland, was één van de hoogtepunten van het afgelopen jaar voor iedereen die de marxistische politieke economie bestudeert. Twee schrijvers - 'NC' en 'NL' - begonnen in januari met een recensie van een boek over de crisis, om van daaruit een scala aan marxistische analyses over economische crises en wat deze voor de arbeidersbeweging betekenen, onder de loep te nemen.

Ik raad iedereen die in de marxistische politieke economie is geïnteresseerd aan om deze stukken te lezen. We zitten nog middenin het formuleren van een complete marxistische analyse van de huidige crisis. De artikelen zijn te vinden in de uitgaven van januari, april, mei, juni, oktober, november en december van de Socialist Voice, online te vinden op: http://www.communistpartyofireland.ie/sv/index.html.

(Manifest vertaalde intussen de volgende artikelen: januari in Manifest 1 en oktober/november: website www.ncpn.nl, onder marxistische analyses).

Hieronder volgen mijn eigen ideeën hierover, die ik met dezelfde kameraadschappelijke houding aanbied:

Systeemcrisis

  1. Er bestaan twee soorten kapitalistische economische crises: conjuncturele crises en systeemcrises (structureel, nvdr). In de economische activiteit van het kapitalisme komen onevenwichtigheden tussen de verschillende productiesectoren, tussen leveranciers en producenten, tussen productie en consumptie, enz. voor. Deze onevenwichtigheden zorgen voor vertragingen in de productie. Burgerlijke economen spreken wel van veranderingen in de 'business cycle', wat inhoudt dat ze conjunctureel of zelfcorrigerend zijn: het herstel is altijd in zicht, soms nabij, soms in de verte. De burgerlijke politici grijpen doorgaans naar beleidsmiddelen als het laag houden van de rente, staatsinvesteringen en andere fiscale instrumenten om de situatie naar hun hand te zetten. Deze crises komen regelmatig voor, maar de werkende mensen moeten meestal opdraaien voor de schade.
  2. Systeemcrises geven daarentegen blijk van de tegenstellingen die inherent zijn aan het kapitalisme. Deze kunnen dan ook niet door geduld noch door het gebruikelijke pakket aan maatregelen opgelost worden. Een systeem dat afhankelijk is van steeds ingewikkelder sociale interacties, terwijl de vruchten daarvan slechts toekomen aan degenen die daarvan losgekoppeld zijn, kan niet eeuwig voortduren. Op lange termijn zorgt de accumulatie van geconcentreerde rijkdom ervoor dat de verdere accumulatie van die rijkdom moeilijk wordt.
  3. Systeemcrises gaan niet geruisloos voorbij, maar worden tijdelijk onderdrukt of opgelost door transformatieve veranderingen. Dat wil zeggen dat de beleidsbepalers de ergste gevolgen van de systeemcrisis misschien kunnen uitstellen of de scherpe randjes ervan afhalen, maar dat stelselmatige veranderingen uiteindelijk nodig zijn om uit de crisis te komen. De New Deal zou bijvoorbeeld de Grote Depressie in de VS hebben opgelost, maar de Depressie eindigde in werkelijkheid pas door de enorme veranderingen die door een wereldwijde oorlog werd teweeggebracht (**); door de quasi-socialistische economische planning (die toen plaatsvond, nvdr), het investeren in en produceren en organiseren van de oorlogsindustrie en de enorme vernietigingvan materiële goederen. In de 21e eeuw werden de gevolgen van de crisis van 2001 slechts uitgesteld, waarna ze in de crisis van 2008 weer verergerden. De dynamiek van de kapitalistische crisis bleef daaronder doorwerken en werkt nu nog steeds door.
  4. Systeemcrises zijn uiteindelijk accumulatiecrises. De werking van het kapitalisme wordt vooral lamgelegd door het onvermogen om voldoende winst te genereren. De factoren die de accumulatiegroei tegenhouden - de winstvoet afremmen - verklaren andersom grotendeels de systeemcrisis. We kunnen dus in het algemeen zeggen dat crises veroorzaakt worden door de tendentiële daling van de winstvoet.
  5. Als we de systeemcrisis baseren op het falen van de accumulatie, en niet op onevenwichtige of niet gerealiseerde consumptie, dan moeten we daar politieke gevolgen uit trekken: de crisis kan niet worden opgelost door middel van liberale of sociaaldemocratische instrumenten. Het herverdelen van de welvaart, nieuwe overheidsbanen, sociale zekerheid e.d. zullen de winstgevenheid niet rechtstreeks verbeteren, tenzij het in werkelijkheid gaat om het schuiven met overschot. Alleen het herstel van de winstgroei zorgt ervoor dat de economie weer stabiel wordt. Dit zagen we bijvoorbeeld in 2009 in de VS, toen de winst zich sterk herstelde (dankzij versterkte uitbuiting!), maar in 2012 weer begon te dalen. De arbeidersklasse kan dus eigenlijk alleen maar kiezen tussen de kapitalisten helpen hun winsten te herstellen, of naar de omverwerping van het kapitalistische systeem toe te werken!
  6. De crisis bestaat, hoe tegenstrijdig het ook mag lijken, omdat het accumulatieproces overweldigd wordt door de enorme hoeveelheid aan overschot die in de handen van een kleine groep mensen geconcentreerd is, de eigenaren van de productiemiddelen, distributie, diensten en financiën. De investeringsmogelijkheden worden, net zoals voor de Grote Depressie, voorbijgestreefd door de hoeveelheid aan geconcentreerde rijkdom. De winstvoet, en de verwachte winstvoet, valt in het niet vergeleken met de hoeveelheid kapitaal in handen van de grote bedrijven, de banken en de rijken. Zij speculeren op schaarse grondstoffen, vastgoed en financiële producten, de constante 'jacht op resultaat', en ze nemen een schuld op zich die deze eindeloze jacht nog dommer maakt.
  7. De systeemcrisis moet niet gezien worden als een onheilsvoorspelling waarin het systeem voorgoed in elkaar stort. Uit het vooraanstaande werk van Henryk Grossmann over de tendentiële daling van de winstvoet kwam - door de pure logische uiteenzetting - ten onrechte het idee voort dat het kapitalisme door zijn eigen logica zou instorten. Academische marxisten die los van de arbeidersbeweging staan, gaan er evengoed vanuit dat de verwachte stagnatie het kapitalisme zal doen verdwijnen. Het kapitalisme heeft echter altijd verstrekkende maatregelen om zichzelf in stand te houden: de oorlog als resetknop, kapitalisme met een geweer tegen het hoofd door middel van fascisme, en allerlei directe en indirecte vormen van slavernij. Alleen de meest gevorderde, georganiseerde delen van de arbeidersklasse, die gewapend zijn met een analyse van het kapitalisme, kunnen een ontsnapping uit het systeem teweegbrengen.

Monopolie- en staatsmonopoliekapitalisme

  1. De theoretici van Monthly Review wijzen terecht steeds op de oneindige concentratie van kapitaal in handen van steeds minder mensen als bewijs voor de stelling dat het monopoliekapitaal zich snel ontwikkelt. Fusies, overnames, faillissementen en integratie zorgen ervoor dat de grootste bedrijven steeds meer groeien. Ze onderschatten echter het vermogen van hetkapitalisme om steeds weer nieuwe concurrentiegebieden te creëren. Friedrich Engels formuleerde het goed in het allereerste marxistische werk over de politieke economie (Schets van een Kritiek der Politieke Economie): 'Concurrentie is gebaseerd op eigenbelang, en het eigenbelang creëert op zijn beurt het monopolie. Kort gezegd, concurrentie gaat over op monopolie. Tegelijkertijd kan het monopolie niet de concurrentie tegenhouden. Het brengt op zijn beurt weer concurrentie voort...' De school van het 'Monopoliekapitaal' (MC) van Monthly Review heeft dit ogenschijnlijk kleine punt nog niet door.
  2. Zelfs in een kapitaalintensieve industrie, in een schoolvoorbeeld van monopolie, zoals de auto-industrie, bestaat er nog concurrentie als nieuwe producenten op het toneel verschijnen met nieuwe technologie (bijvoorbeeld de elektrische auto), of als er vanuit een land initiatieven worden genomen (Japan en Korea vroeger, tegenwoordig China en India). Naast prijsconcurrentie wordt concurrentie ook (in tegenstelling tot wat de Monopoly Capital (MC)-school beweert) uitgedrukt in technologische aspecten, brandstofconsumptie, prestaties, garantiebepalingen en allerlei andere verschillen. Deze verschillen zijn gebaseerd op productietechnieken en -kosten en kunnen niet zomaar afgedaan worden als "the sales effort", zoals Sweezy en Baran het in Monopoly Capital noemen. Ze negeren ook de concurrentie tussen oude en nieuwe industrieën, tussen mainstream en alternatief.
  3. Ondanks de concentratie van kapitaal zal de concurrentie tussen kapitalisme en het verlangen naar winst op aandelen het systeem altijd naar een systeemcrisis toesturen.
  4. De theorie van het staatsmonopoliekapitalisme is nuttiger voor de arbeidersbeweging. De monopolisering kan de logica van het kapitalisme buigen, maar niet breken, maar de grootste monopolisten zijn er wel in geslaagd om hun belangen bij die van de staat aan te laten sluiten. De enorme macht en het bereik van de monopolies hebben alle staatsorganen overgenomen en hebben de staatsingrepen in dienst van de accumulatie van kapitaal gesteld. Deze theorie wordt sinds de val van het Europese socialisme in linkse kringen afgewezen. Uit de staatsingrepen in de banken in de VS en Europa moet toch zeker blijken dat er meer in deze theorie zit dan de critici eerst dachten. Deze theorie is van het grootste belang om het optreden van de beleidsbepalers van de EU en de VS in de crisis te begrijpen.

'Financialisering' en schuld

  1. De term 'financialisering' is in de mode geraakt, maar is eigenlijk nogal ongelukkig voor ons begrip. Al voor Lenin werd de toenemende rol van de financiële sector waargenomen. Dit proces bereikte zijn hoogtepunt toen de financiële economie begin 21e eeuw meer dan 40 procent van de bedrijvenwinst in de VS voor haar rekening nam. Dit kwam deels door de toegenomen absorptie van overschot en deels door de afname en het vertrek van de maakindustrie die vroeger een groter deel van de winst in de VS uitmaakte.
  2. De financiële economie nam zonder twijfel de hoofdrol op zich in de VS, Groot-Brittannië en een aantal andere ontwikkelde kapitalistische landen, in combinatie met de enorme hoeveelheid Oost-Europese arbeiders die tegen een laag loon in de industrie konden werken na de val van het socialisme en zijn bondgenoten, en het openstellen van China voor de wereldwijde markt. Dit weerspiegelde de nieuwe arbeidsverdeling in de wereldwijde economie: industrie en export in het oosten en zuiden, financiën, management en diensten in het westen en noorden.
  3. De VS werden als grootste financiële centrum van de wereld een Mekkavoor iedereen met een grote portemonnee en weinig investeringsmogelijkheden in een tijd van lage rente en goedkoop geld.
  4. In tegenstelling tot in de wereld van de warenproductie, waarin de waarde ter plekke wordt geproduceerd, biedt de financiële wereld de mogelijkheid om de toekomstige waarde op te kopen door middel van contractuele middelen als hypotheken, obligaties, futures en in onze tijd zelfs nog exotischer producten. Met deze middelen kun je handel drijven in de toekomstige waarde, waardoor het kapitalisme wordt uitgedaagd om nog meer kansen te creëren voor marginale investeringen om meerwaarde en toekomstige meerwaarde te absorberen.
  5. Schuld - het gevolg van gemakkelijke kredietverstrekking en lage rentes - versterkt de financiële investering, de weg naar steeds roekelozer speculatie. De financiële wereld heeft op die manier veel 'innovaties' gecreëerd om de zee van overschot die door de jaren heen geaccumuleerd is te absorberen, op zoek naar weer een nieuwe ronde accumulatie in een omgeving met steeds minder winst (zie ook laatste bijeenkomst Davos, nvdr). Deze manier waarop de accumulatie haar eigen reproductie afremt was zichtbaar in de financiële crisis in de VS in 2007-2008.

Andere crisistheorieën

  1. Golftheorie: het idee dat de economische activiteit in golven van opgang naar neergang en weer terug beweegt. Deze theorie heeft bijna een mystieke, spirituele aantrekkingskracht. De golftheorie, die in marxistische kringen geassocieerd wordt met Nikolai Kondratjev, de theorie van een regelmatige, periodieke golfbeweging - lang of kort - heeft twee verschillende, fatale fouten.
  2. Uit empirisch perspectief kunnen we stellen dat het onmogelijk is om het eens te worden over de eigenschappen in de economische geschiedenis waaruit met zekerheid te zeggen valt dat ze regelmatige opgang en neergang vertonen. Dat wil zeggen dat de onafhankelijke variabelen te vaag zijn. Zelfs als ze helder gedefinieerd zijn - bnp, arbeidsproductiviteit, winst, enz. - is er nog geen overduidelijk patroon te bespeuren. Intuïtieve patronen kunnen alleen worden gezien door mensen die al geneigd zijn om ze te zien.
  3. Uit theoretisch oogpunt is er geen enkele mogelijke onafhankelijke variabele die in de hele economische geschiedenis (of in de geschiedenis van het kapitalisme) een regelmatige golfbeweging vertoont. Technologische innovaties, culturele of demografische veranderingen, noch allerlei andere mogelijke oorzaken verklaren de regelmatige golfbeweging. In de natuur vinden we wel soorten golfbewegingen (bijvoorbeeld in de maanfasen), maar een duidelijk causaal verband met de economische wereld valt niet te ontdekken.
  4. Kortom, lange golven zijn onmogelijk waar te nemen zonder naar Rorschach-achtig impressionisme te verwijzen, en het is onmogelijk om ze te verklaren zonder al van tevoren aan te nemen wat de verklaring is: als je een gezicht in de maan wilt zien, dan zie je het ook.
  5. We zijn veel verschuldigd aan Hans Heinz Holz, de in 2011 overleden Duitse marxistische filosoof, die het al langer bestaande communistische concept van de Algemene Crisis van het Kapitalisme (GCC) nieuw leven heeft ingeblazen. Volgens Holz heeft de sociale wetenschap in de Sovjet-Unie de GCC op mechanische en empirische wijze verbonden aan de historische fase die met de bolsjewistische revolutie en de Tweede Wereldoorlog begonnen is. Dit was een verkeerde interpretatie die door de tegenslagen voor het socialisme werd tenietgedaan.
  6. Holz rehabiliteerde terecht het concept van de GCC als een daadwerkelijke algemene crisis die voortkomt uit de interne werking van het kapitalisme, los van belangrijke gebeurtenissen die hiervan losstaan. Hij formuleerde de GCC terecht als een totale crisis, die zich niet beperkt tot het economische leven, maar die ook het sociale leven, cultuur, ideologie en alle andere menselijke interactie beïnvloedt.
  7. De GCC is daarmee geen theorie over de economische crisis. De systeemcrisis van het kapitalisme is juist een causaal element in de Algemene Crisis van het Kapitalisme.
  8. Er moet nog veel gebeuren om een volledige theorie van de GCC uit te werken met daarin alle gevolgen in alle onderdelen van het dagelijks leven inbegrepen.

(*) De Japanse theoreticus Okishio meende in 1961 te kunnen bewijzen dat de stelling van Marx over de tendentiële daling van de winstvoet geen algemene geldigheid zou hebben. Een deel van de burgerlijke economen heeft die stelling sindsdien omarmd. Door marxistische wetenschappers is de stelling van Okishio weerlegd.

(**) Vetregels in het artikel aangebracht door redactie Manifest.

Vertaling Matthijs Dröge.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019