De crisis begrijpen om het kapitalisme te kunnen bestrijden, deel 2

De mislukking van de kapitalistische productie

voice3~1.jpg
Vrouw aan het werk in een lagelonenland, waardoor exportgoederen goedkoop zijn. In China zijn de condities beter dan in Bangladesh, waar 600 mensen onder het puin verdwenen van een kledingfabriek terwijl zij goedkope kleding maakten voor westerse multinationals. Eerst de mensen, niet de winsten! (Foto: Robert S. Donovan/Flickr/cc/by)

Zie ook "Crisis dwingt het systeem in het beklaagdenbankje" deel 1, deel 2 en deel 3 en "De crisis begrijpen om het kapitalisme te kunnen bestrijden" deel 1

Deel 2 van de reactie van NL op de recensie door NC van 'The Failure of Capitalist Production' van Andrew Kliman in de Socialist Voice, maandblad van de CP van Ierland - mei 2012). Volgende keer deel 3 en slot. In de papieren Manifest 3 werden de drie tussenkopjes abusievelijk niet genummerd (Financialisering van het accumulatieproces, monopolisering van de macht en internationalisering van de productie). Zie voor nadere toelichting Manifest 1, 2013.

  1. De proletarisering van de bevolking

    Een van de grootste fabeltjes over de 'globalisering' is dat het een proces is waarin de arbeidersklasse verdwijnt en iedereen tot een middenklasse gaat behoren. Inmiddels is gebleken dat de kunstmatige opkomst van de middengroepen slechts een oppervlakkig fenomeen is, dat gebouwd is op de toenemende schulden en aandelenwaarden.

    In werkelijkheid heeft de internationalisering van de productie, met name de monopolisering van land, een proletarisering van de bevolking teweeggebracht. Er worden steeds meer (zelfvoorzienende) boeren van hun land verdreven om in de stad in de fabrieken te gaan werken, met alle gevolgen voor het milieu van dien. Deze negatieve gevolgen gelden zowel voor het platteland als voor de stad, bijvoorbeeld met de explosieve groei van sloppenwijken rondom de steden.

    Daarnaast is het aantal kleine bedrijven, door de monopolisering van de productie en de detailhandel, op wereldwijd niveau gekrompen. De kleine bedrijven worden vervangen door megastores en multinationale bedrijven. Het aantal kleine bedrijven dat door de crisis moet sluiten spreekt voor zich.

    In crisistijd zijn er weinig mogelijkheden tot investering, waardoor veel bedrijven een agressieve overnamestrategie hanteren om de concurrentie te verkleinen en hun marktaandeel te vergroten. Kleine bedrijven worden vaak opgeslokt door grotere concurrenten, waardoor het aantal zelfstandigen daalt en het aantal mensen in loondienst, de arbeiders, toeneemt.

  2. De groei van het reserveleger van arbeiders

    Naarmate het systeem zich, soms door openlijke oorlogvoering, tot bijna overal ter wereld uitbreidt en de arbeidersklasse toeneemt, neemt ook de hoeveelheid werklozen wereldwijd toe: het aantal potentiële arbeiders die het systeem tot zijn beschikking heeft staan. Marx noemde dit het industriële reserveleger. Met de opkomst van het monopoliekapitalisme is dit leger enorm gegroeid.

    De proletarisering van de bevolking en het instorten van de socialistische economieën heeft de hoeveelheid potentiële arbeiders nog sterker doen toenemen, waardoor er nu 2,4 miljard zijn, ongeveer 65 procent van de potentiële beroepsbevolking in de wereld.

    De invloed van vraag en aanbod op de arbeidskosten (ons loon) is overduidelijk, maar dit proces wordt vooral aangedreven door de lagere arbeidskosten in het zuiden van de wereld. Nu de productie zo sterk is geïnternationaliseerd, kan ze snel de goedkoopste delen van de wereld opzoeken en zich daarheen verplaatsen. Het toenemende reserveleger is onderdeel van de 'race to the bottom' en van de aanval op de vakbeweging en op de arbeidsomstandigheden in het Westen.

    De terugtrekking van de sociaaldemocratie is niet zozeer ideologisch of beleidsmatig, maar eerder het gevolg van het feit dat haar materiële basis - een sterke binnenlandse industrie in de kerneconomieën - verdwenen is door de monopolisering en internationalisering, en daarmee de sociaaleconomische invloed van de arbeiders in die landen.

  3. De verpaupering van de arbeidersklassen in de kernlanden

    Door de opgedrongen verdeling van en concurrentie tussen de arbeiders treedt er een verpaupering van de arbeidersklasse in de kernlanden van het monopoliekapitaal op, en een grove uitbuiting en onderdrukking van arbeiders in het Zuiden.

    Met het wegtrekken van economische activiteit uit het Westen is de sociaaldemocratie vervaagd. Deze economieën moesten wel 'opener' worden om te kunnen omgaan met de versnelling waarmee het kapitaal de arbeidsomstandigheden ondermijnt.

    Met de stagnatie van de reële lonen werd de consumptie vooral aangejaagd door schulden. Het opblazen van de waarden van bijvoorbeeld vastgoed en aandelen heeft een kunstmatige groei van consumptie door arbeiders in het Westen veroorzaakt. Dit is tegelijkertijd met de laatste zeepbel doorgeprikt.

    Inmiddels is duidelijk geworden dat de consumptie op een bijzonder zwak fundament gebouwd was. De bezuinigingen die nodig zijn om het financierskapitaal te redden, verergeren alleen maar de overproductie van reële goederen.

  4. De rol van de schulden

    Het krediet en het tegenovergestelde ervan - schuld - heeft altijd al een rol in het kapitalistische productieproces gespeeld. We kunnen nu echter zeggen dat het wereldwijd een veel grotere invloed heeft op de productie en op de gebruikelijke cyclische werking van het systeem.

    Met de concentratie van kapitaal konden degenen die het vergaarden veel gemakkelijker de productie sturen al naargelang hun behoeften door middel van investering in en eigendom van bedrijven. Het opstapelende kapitaal had tegelijkertijd meer investeringsmogelijkheden nodig. Door de monopolieproductie werden er veel 'reële' investeringsmogelijkheden vernietigd, en door de hierboven genoemde ontwikkelingen werden de mogelijkheden tot herinvestering ook afgesloten.

    Elke keer als er een lening verstrekt wordt, of elke keer dat er op een toekomstige prijs of gebeurtenis gegokt wordt, wordt er meer schuld binnen het systeem opgebouwd. 'Producten' die op schulden waren gebouwd werden daarmee een belangrijke bron van investering en rendement, met bijvoorbeeld het opkopen van en speculeren in staatsobligaties en obligaties met gebundelde hypotheken als onderpand.

    De banken creëerden honderden op schuld gebaseerde constructies die investeringsmogelijkheden boden, maar ook zekerheid voor toekomstige leningen. Deze kant van het accumulatieproces (G - G in de terminologie van Het Kapitaal van Marx) creëerde uit zichzelf kapitaal en daarmee werden schulden van personen, bedrijven en de overheid binnen het systeem een bron van nog meer investering en groei.

    De mate waarin het systeem gebouwd is op dit stelsel van groei uit G - G uit zich in de buitengewoon langdurige 'staking' van de beleggers en het uitblijvende effect van de honderden miljarden aan kwantitatieve versoepeling. In tijden van recessie is het niet vreemd dat beleggers bang zijn en de hand op de knip houden. Je zou echter verwachten dat het na een aantal 'correctiemaatregelen' weer op gang zou komen als mogelijkheden zich eenmaal weer voordoen.

    Momenteel is de beleggingsangst nog steeds duidelijk zichtbaar. Wie Bloomberg leest of naar de toespraken in Davos luistert, ziet dat dit voorlopig nog niet afneemt. De hoeveelheid schuld binnen het systeem zorgt ervoor dat beleggers niet weten hoe ze hun risico kunnen verkleinen met het constant aanwezige risico op een default. Nu er geen 'zekerheden' meer zijn, weten de beleggers niet waar de volgende Lehman Brothers of Ierse economie zich bevindt.

    Bovendien heeft de kwantitatieve versoepeling geen nieuwe banen gecreëerd of de productie efficiënter gemaakt. In plaats daarvan is het door dezelfde hebzuchtige bedrijven gebruikt om hun eigen schulden af te betalen.

  5. Speculatie en zeepbellen

    Hoewel de eerdergenoemde processen steeds meer kapitaal in steeds minder handen geconcentreerd heeft, was de groei in de VS, Groot-Brittannië en Europa nihil geweest als er geen op speculatie gebaseerde financiële groei was geweest in een reeks van zeepbellen.

    De groei van de Duitse economie, de motor van de Europese Unie, was nooit meer dan 4 procent, maar vaak was het eerder 1 of 2 procent (inclusief op de financiële sector gebaseerde groei). Zie bijvoorbeeld Ierland, de zogenaamde Celtic Tiger. Als je daar van het bnp de 25 procent uit de vastgoedzeepbel aftrekt, dan blijkt dat onze economische groei eerder een fata morgana was dan een economisch wonder. Zelfs uit recente verslagen blijkt dat de economie nog steeds stagneert. Alleen de buitenlandse monopolies vertonen enige groei.

    Fusies en overnames, de commodity-zeepbellen en de termijncontracten, de energiezeepbel en de internetbubble, overheidsschulden en speculatie in valuta's, vastgoed- en hypotheekzeepbellen (plus nog wat legale en illegale witwaspraktijken) hebben de voornaamste bron van groei, investering en de creatie van nieuw kapitaal uit winsten voor het systeem geleverd.

    Er is een verschil tussen speculatie en investering. Speculatie verschilt van het simpelweg verstrekken van krediet aan een bedrijf. Vanuit het oogpunt van de kapitalist is een investering het gevolg van de analyse van een bedrijf of product en het vertrouwen in het uiteindelijke succes daarvan. Dat wil zeggen dat het product aan de investeerder 'verkocht' is. Speculatie werkt anders: er wordt weinig geanalyseerd, of in ieder geval niet diepgaand, omdat het een blinde gok op een toekomstige gebeurtenis kan zijn.

    De aard van speculatie creëert zeepbellen, waarin de toegenomen activawaarde uit kapitaalinvestering nog meer kapitaal aantrekt, wat nog verdere inflatie creëert en uiteindelijk een zeepbel. Dit geeft het kapitaal weliswaar een snelle 'oplossing' om te beleggen en rendement te halen, waardoor de economie groeit, maar er ontstaat al snel een opeenhoping van al het andere kapitaal dat investeringsmogelijkheden zoekt. Zo ontstaat er uiteindelijk een zeepbel die alleen met een harde knal beëindigd kan worden.

    Een diepgaande en langdurige systeemcrisis

    De hierboven beschreven verschijnselen zijn alom aanwezig in het hedendaagse kapitalisme en kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt. Elke vorm van kapitalistisch herstel komt voort uit deze realiteit, en ook elke eventuele omschakeling naar het socialisme wordt in deze situatie geboren.

    Het is juist door deze eigenschappen en hun verdere ontwikkelingen dat de huidige crisis zo sterk verschilt van recessies in het verleden. Dit uit zich op een aantal manieren.

    1. De crisis is universeel. De crisis beperkt zich niet tot slechts één onderdeel van het accumulatieproces. Het is niet slechts een bankencrisis of een financiële crisis, of een crisis van onderconsumptie. Het is meer dan alleen een crisis van overproductie in de vastgoed- of energiesector.
    2. De crisis is wereldwijd. Het gaat niet om één gebied of één halfrond. De VS, de EU, Japan en het Zuiden hebben er allemaal mee te maken.
    3. De crisis lijkt voortdurend of permanent te zijn. In plaats van een twee- of driejarige recessie, gevolgd door een geleidelijk herstel, zitten we nu in het vijfde jaar van de crisis, met nauwelijks tekenen van herstel.

    Dit is de reden dat deze crisis daadwerkelijk systematisch en structureel is, en waardoor deze crisis van de anderen verschilt. De gevolgen en zogenaamde oplossingen van deze crisis zullen de tegenstellingen nog meer verdiepen en deze eigenschappen nog meer benadrukken.

    Het is nu al zo dat de rijkdom nog meer geconcentreerd wordt. De productie wordt steeds verder gemonopoliseerd, waarbij fusies en overnames gebruikt worden om de overvloed aan kapitaal binnen het systeem te investeren. De productie wordt naar steeds goedkopere delen van de wereld verplaatst, waardoor de productiekosten verminderd worden om zo de winsten uit een dalende consumptie te vergroten. Het aantal werklozen wereldwijd neemt toe, terwijl de verarming van de arbeidersklasse in het Westen de consumptie nog verder zal doen afnemen. Tegelijkertijd nemen de schulden van zowel individuen als landen toe.

    Zonder massale kapitaalvernietiging zullen de stagnatie en de tegenstellingen die eerder bedekt werden door de groei op basis van de financiële sector bloot komen te liggen. Hierbij zal de overgrote meerderheid van de bevolking moeten lijden, terwijl een kleine groep profiteert.

    Door de structuur van het monopoliekapitalisme en de nucleaire proliferatie, met de rivaliteit tussen monopolies waarvan de controle in handen is van een paar hedgefondsen en financiële bedrijven, is het goed mogelijk dat de door Kliman gesuggereerde wereldwijde vernietiging van de activa (waarde van de financiële beleggingen) onmogelijk wordt gemaakt. Dit leidt tot de conclusie dat dit geen gewone, cyclische crisis of recessie is, maar een waarvan de eigenschappen zo sterk benadrukt, structureel en systematisch zijn dat we ons wellicht bevinden in een kapitalisme dat in een fase van agressief verval verkeert.

    vertaling Matthijs dröge.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019