Imperialisme en de transformatie van waarden in prijzen (deel 1)

Ga naar deel 2, deel 3 (slot)

i-010-021.jpg
Reddingswerkers zijn op zoek naar overlevenden bij een fabriek die instortte in de Pakistaanse stad Lahore op 7 november jl. Dit is de tweede grote ramp, na de kledingfabriek in Bangladesh, in een fabriek waarbij de arbeiders gedwongen werden in een gebouw te werken dat zichtbaar op instorten stond. De druk op de bedrijven in het Zuiden om tijdig producten te leveren aan het Westen is zo groot, dat alle veiligheidseisen overtreden worden. Winsthonger doodt! (Foto: ZLV)

Torkil Lauesen en Zak Cope

In dit artikel willen we aantonen dat de lage prijzen van de in het mondiale Zuiden geproduceerde goederen en de daarmee gepaard gaande bescheiden invloed van de export ervan op het bruto binnenlands product van het Noorden verhullen dat de noordelijke economieën in werkelijkheid afhankelijk zijn van de laag betaalde zuidelijke arbeid. Wij stellen dat de verplaatsing van bedrijven naar het mondiale Zuiden in de afgelopen drie decennia geresulteerd heeft in een enorme toename van naar het Noorden overgemaakte waarde. De belangrijkste mechanismen van deze transfer zijn de repatriëring van meerwaarde door middel van directe buitenlandse investeringen, de ongelijke ruil van producten met verschillende waarde-inhoud, en de afpersing via rentebetaling op schulden.

De inlijving van enorme zuidelijke economieën in een kapitalistisch wereldsysteem dat gedomineerd wordt door mondiale, in het Noorden gevestigde transnationale ondernemingen en financiële instellingen, heeft de eerste omgevormd tot sociaal ontwrichte exportkolonies. Het ellendig lage loonniveau in deze economieën is gebaseerd op:

  1. de druk vanuit hun export, die moet concurreren om kleine stukjes van de grotendeels noordelijke consumptiemarkt;
  2. de afvloeiing van waarde en natuurlijke hulpbronnen, die anders gebruikt zouden kunnen worden om de productiekrachten van de nationale economie op te bouwen;
  3. de onopgeloste landkwestie, die een overaanbod van arbeid creëert;
  4. repressieve compradore-regeringen, die de neoliberale orde aanvaarden en ervan profiteren, en die daarom niet in staat noch bereid zijn om loonstijgingen toe te staan uit angst zo de aanspraken van de arbeiders op grotere politieke macht aan te moedigen; en
  5. gemilitariseerde grenzen, die de trek van arbeiders naar het mondiale Noorden en daarmee een gelijkmaking van de beloning voor arbeid verhinderen.

De imperialistische globalisering van de productie

Het debat over waardetransfer en ongelijke ruil is niet nieuw. Wel wordt tegenwoordig een steeds groter deel van de goederen die de wereld consumeert, in het mondiale Zuiden geproduceerd. Deze productie is niet, zoals in de jaren 1970, beperkt tot primaire en eenvoudige industriële goederen als olie, mineralen, koffie en speelgoed. Integendeel, ondanks de relatief lage 'toegevoegde waarde' van de productie (waarover hieronder meer), worden bijna alle soorten industriële in- en output in het mondiale Zuiden geproduceerd, inclusief chemische producten, industriële metaalgoederen, machineonderdelen en elektrische systemen, elektronica, uitrusting en transportvoorzieningen voor textiel, schoenen, kleding, tabak en brandstoffen. Maar waarom en hoe is deze verschuiving in de productielocatie tot stand gekomen?

De verandering in de internationale arbeidsverdeling is een product van de permanente zoektocht van het kapitaal naar hogere winsten en is gebaseerd op: ten eerste de enorme groei van het aantal proletariërs dat deel is gaan uitmaken van het kapitalistische wereldsysteem, en ten tweede de substantiële industrialisatie van het Zuiden gedurende de afgelopen drie decennia. Dit was mogelijk geworden door de ontbinding van de 'reëel bestaande socialistische' economieën van de Sovjet-Unie en Oost-Europa, de opening van China naar het mondiale kapitalisme en de outsourcing van productie naar India, Indonesië, Vietnam, Brazilië, Mexico en andere recent industrialiserende landen. Het resultaat was een toename van tenminste een miljard, laag betaalde proletariërs binnen het mondiale kapitalisme. Vandaag is meer dan 80 procent van de industriearbeiders op de wereld te vinden in het mondiale Zuiden, terwijl het aandeel van het Noorden steeds verder afneemt (zie figuur 1). We mogen in het Noorden dan wel in postindustriële maatschappijen leven, de wereld als geheel is geïndustrialiseerder dan ooit.

graf1.jpg
Figuur 1. Het aantal mondiale industriearbeiders, 1950-2010

De industrialisatie van het Zuiden was door de dependentietheorie van de jaren 1960 en 1970 niet voorzien. Die meende dat het kapitalistische centrum elke moderne industriële ontwikkeling van de zogenoemde periferie moest tegenhouden, zodat die een leverancier zou blijven van grondstoffen, tropische landbouw- en veeteeltproducten en arbeidsintensieve eenvoudige industriële productie, die vervolgens geruild zou moeten worden tegen de geavanceerde industriële producten van het centrum. Weinig analisten hadden voorzien dat de industrialisatie van het Zuiden zou worden aangedreven door de handel met en de investeringen door het kapitalisme van de metropool.

Hoe dan ook, de industrialisatie van het Zuiden bood een (tijdelijke) oplossing voor de economische en politieke malaise van het kapitalisme in de jaren 1970, die tot uitdrukking kwam in enerzijds een daling van de winstvoet, de oliecrisis en de druk vanuit de arbeidersbeweging in het Noorden om steeds hogere lonen, en anderzijds de nationale bevrijdingsstrijd op diverse plaatsen in het Zuiden. Toch was deze industrialisatie geen concessie aan de eisen van het Zuiden; eerder het tegendeel. In plaats van een stap in de richting van een gelijkere wereld heeft ze geresulteerd in een verdieping van de imperialistische verhoudingen op wereldschaal.

Deze nieuwe imperialistische politieke economie rust op twee fundamenten. Ten eerste de ontwikkeling van nieuwe productiekrachten in elektronica, communicatie, transport, logistiek en management: computers, het internet, mobiele telefoons, containervervoer en de ontwikkeling van mondiale productieketens met recent ontworpen managementsystemen. Ten tweede de groei van het neoliberalisme, die gepaard ging met het verwijderen van nationale grenzen voor de beweging van kapitaal en goederen, het privatiseren van het publieke en gemeenschapsdomein, het oprichten van nieuwe mondiale instellingen als de wereldhandelsorganisatie WTO, G-toppen en andere vormen van mondiaal politiek beleid, en nieuwe militaire strategieën met het doel de verspreiding van nationale en socialistische ontwikkelingsstrategieën in te dammen en terug te dringen.

In dit nieuwe accumulatiesysteem zijn niet alleen het kapitaal en de handel in eindproducten transnationaal geworden, ook de productie is mondiaal geworden in de vorm van waardeketens. De deelprocessen van een productieketen vinden daar plaats waar de productiekosten, de infrastructuur en de belastingwetten optimaal zijn voor het kapitaal. Bij de productie van een auto of een computer wordt gebruikgemaakt van input en onderdelen afkomstig van honderden bedrijven, die gevestigd zijn in vele landen, en het product zelf kan in verschillende delen van de wereld geassembleerd worden.

Het neoliberalisme heeft gezorgd voor een nieuwe mondiale arbeidsverdeling, waarin het mondiale Zuiden 'de werkplaats van de wereld' is geworden. Het mondiale kapitalisme splijt de wereld steeds verder in zuidelijke 'productie-economieën' en noordelijke 'consumptie-economieën'. De belangrijkste drijfveer achter dit proces is zonder twijfel het lage loonniveau in het Zuiden. De structuur van de hedendaagse wereldeconomie wordt dan ook in hoge mate bepaald door de verdeling van arbeid over de industriële sectoren in overeenstemming met de internationale verschillen in uitbuitingsgraad.

Voor grote bedrijven is de verleiding erg groot om productie te outsourcen of te investeren in volkomen nieuwe, zogenoemde greenfield-projecten in het Zuiden. Het verschil in loonniveau is niet slechts een factor één op twee, maar één op tien of vijftien. In 2010 werd van de in totaal 3 miljard arbeiders op de wereld dan ook bijna 942 miljoen door de internationale arbeidsorganisatie ILO aangemerkt als 'werkende armen' (bijna één op de drie arbeiders wereldwijd leeft van minder dan 2 dollar per dag).

graf2.jpg
Figuur 2. Niveau en samenstelling van de mondiale ongelijkheid in 1870 en 2000. (Gini-ontleding)

Volgens de Wereld Bank-econoom Branko Milanovic was in 1870 de mondiale ongelijkheid onder de wereldburgers aanzienlijk kleiner dan vandaag (zie figuur 2). En nog opvallender is dat de ongelijkheid momenteel niet meer met name door de klasse wordt veroorzaakt (dat is in de niet-marxistische opvatting van Milanovic het aandeel in het nationaal inkomen), maar bijna helemaal door de locatie, die draagt voor 80 procent bij aan de mondiale ongelijkheid. Hij schrijft dan ook: "het is mondiaal gesproken veel belangrijker of je gelukkig genoeg bent geboren te zijn in een rijk land, dan of de inkomensklasse waartoe je in een rijk land behoort, hoog, gemiddeld of laag is." Wat hij er niet bij vertelt, is dat de geografie van de ongelijkheid het product is van de economische, wettelijke, militaire en politieke structuren van het vroegere kolonialisme en het tegenwoordige neokolonialisme. Deze historische factoren vormen de basis voor de klassenstrijd, die bepaalt wat Marx aanduidt als de "historische en morele" aspecten van de loonniveaus.

Het lage loonniveau in het Zuiden zorgt niet alleen voor een hogere mondiale winstvoet dan anders het geval zou zijn, het beïnvloedt ook de prijs van de in het Zuiden geproduceerde goederen. Volgens de mainstream economie zou de vorming van de marktprijs voor een personal computer door de productieketen heen kunnen worden beschreven als een 'lachende curve' van de toegevoegde 'waarde'(sic) (zie figuur 3). Deze 'toegevoegde waarde' - die in de neoklassieke theorie eenvoudigweg gelijkstaat aan het nieuw toegevoegde inkomen gemeten in conventionele prijstermen - is in het eerste deel van de keten hoog, met hoog gesalarieerde research en development, design en financieel management, die gelokaliseerd zijn in het Noorden. In het midden daalt de curve als gevolg van de laag betaalde arbeid in het Zuiden bij de productie van het fysieke product. De toegevoegde waarde/prijs stijgt weer naar het einde van de curve, met branding, marketing en sales, die in het Noorden plaatsvinden, ook al behoren de lonen van het winkelpersoneel tot de laagste in deze landen.

graf3.jpg
Figuur 3. Lonen, waarde, en prijsvorming langs de mondiale productieketen

In de logica van de 'lachende curve' wordt het grootste deel van de waarde aan het product toegevoegd in het Noorden, terwijl de arbeid in het Zuiden, die de goederen produceert, slechts een minimaal deel bijdraagt. Volgens deze visie bewijzen de multinationale ondernemingen de gemeenschap een dienst door de prijs van consumptiegoederen te verlagen. In werkelijkheid echter verhullen lage marktprijzen voor dergelijke goederen het feit dat de arbeiders in het zuidelijke deel van de productieketens in ellendige omstandigheden moeten leven als gevolg van de lage lonen en zware arbeidscondities.

In marxistische termen daarentegen is de waarde gelijk aan de som van directe en indirecte, maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die opgegaan is in de productie van een goed (in de vorm van respectievelijk actueel geleverde of 'levende arbeid' en kapitaal of 'dode arbeid'. Ook al wijkt, zoals we zullen zien, de marktprijs van een goed meestal af van zijn waarde (in marxistische zin), uiteindelijk wordt die er toch door bepaald. Dus, als men een curve zou tekenen voor de marxistische opvatting van toegevoegde waarde in een productieketen van computers, dan zou die min of meer een vorm hebben die tegengesteld is aan de lachende curve - een soort 'ongelukkige smiley' (zie figuur 3). Als er inderdaad een verband is tussen de waarde in marxistische zin en de marktprijs, hoe vindt dan deze transformatie van de ongelukkige smiley van de waarde naar de blijde smiley van de marktprijs plaats? (deel 1)

Bron: Monthly Review, jg. 67 nr. 3, juli-augustus 2015, pag. 54 t\m 67; of http://monthlyreview.org/2015/07/01/imperialism-and-the-transformation-of-values-into-prices

Vertaling: Louis Wilms