De geglobaliseerde monopolist, zijn financieel kapitaal en het modern imperialisme

i-067-024.jpg
Een bedrijf dat kleding maakt in Bangladesh. In de eerste grote golf out-sourcing verdween bijna de hele kledingindustrie uit Nederland naar lagelonenlanden. Inmiddels weten klanten van bedrijven als C&A door de subcontracting niet meer welke arbeiders de door hun gekochte kleding hebben geproduceerd en onder welke omstandigheden. We weten wel wie er rijk van geworden zijn. (Foto vlnr: Union For Union/Flickr/cc/by, NiederlandeNet/Flickr/cc/by-nc/sa, ImagesMoney/Flickr/cc/by)
i-007-015.jpg
Foto: ImagesMoney/Flickr/cc/by

Intan Suwandi en John Bellamy Foster

De basistheorie van de multinationale onderneming vindt haar oorsprong in de theorie van het monopoliekapitaal en in Marx's algemene analyse van de accumulatie, en is vanaf de jaren 1960 ontwikkeld door marxistische politieke economen (zoals Paul Baran en Paul Sweezy in Monopoly Capital, 1966).

Ze heeft vergeleken met alle andere invalshoeken het grote voordeel dat ze ons kan helpen de fundamentele veranderingen te begrijpen, die sindsdien in het imperialisme zijn opgetreden en die de burgerlijke theorie zonder succes heeft proberen te verklaren vanuit het overkoepelende idee van de globalisering. In economisch opzicht was de mondiale arbeidsarbitrage de meest kenmerkende verandering in de mondiale productie onder het hedendaags imperialisme van het financieel kapitaal van de geglobaliseerde monopolistische onderneming.

Dat fenomeen heeft in de afgelopen decennia gezorgd voor de verplaatsing van de maakindustrie van het mondiale Noorden naar het mondiale Zuiden, waardoor het aandeel van de ontwikkelingslanden in de mondiale industriële werkgelegenheid steeg van 52 procent in de jaren 1980 naar 83 procent in 2012, en het aandeel van de ontwikkelings- en overgangseconomieën in de directe buitenlandse investeringen van 33 procent in 2006 naar 51 procent in 2010. De vraag is nu hoe met deze veranderde positie van de multinationals het systeem ondanks de verplaatsing van de productie naar de gebieden op aarde met de laagste arbeidskosten per eenheid toch de algemene centrum-periferieverdeling binnen de kapitalistische wereldeconomie heeft kunnen handhaven en soms zelfs vergroten.

De mondiale arbeidsarbitrage - een systeem van ongelijke ruil, dat gebaseerd is op een wereldwijde rangorde van lonen en dat het centrum (de ontwikkelde landen) scherp afgrenst van de periferie (de ontwikkelingslanden en de opkomende economieën) - is voor multinationals een manier om binnen een imperialistisch systeem van 'wereldwaarde' voordeel te halen uit verschillen in arbeidskosten per eenheid. In het monopoliekapitalisme controleren reusachtige oligopolistische ondernemingen door hun internationale activiteiten een groot deel van de wereldmarkt. Bovendien is deze markt asymmetrisch: het kapitaal kan er zich betrekkelijk vrij bewegen (tenzij het te maken heeft met monopolistische controle door sterke bedrijven of protectionisme door rijke landen), de arbeid kan dat echter niet.

Meestal zit die stevig opgesloten binnen nationale grenzen en wordt in haar bewegingsvrijheid beperkt door immigratiepolitiek. Door deze asymmetrie kunnen multinationals profiteren van de enorme prijsverschillen van arbeid op wereldschaal en nog vrijer op jacht gaan naar hogere winsten door wereldwijd duurdere arbeid te vervangen door goedkopere.

In een studie van de Wereldhandelsorganisatie uit 2013 staat: "De belangrijkste drijfveer voor offshoring en outsourcing zijn lagere kosten. Het economisch uit elkaar groeien van het mondiale 'Noorden' en 'Zuiden' gedurende de eerste helft van de 20e eeuw heeft de weg geplaveid voor de kostenbesparing die de [multinationale] ondernemingen vanaf de tweede helft van de 20e eeuw hebben geïncasseerd. Doordat de lonen in de ontwikkelingslanden een fractie waren van de loonkosten in de ontwikkelde landen, groeiden met de economische verschillen de besparingen die door arbeidsarbitrage konden worden verkregen. Wat evenwel de stoot heeft gegeven tot het realiseren van deze besparingen, waren de technologische innovaties en de soepele regelgeving, die de kosten van zakendoen over de bedrijfs- en nationale grenzen heen drastisch hebben verlaagd. Tenslotte konden door organisatorische innovaties die de groei van aanbodketens versnelden, deze door de economische ontwikkelingen gecreëerde mogelijkheden worden benut."

Vanuit het kapitaal gezien is mondiale arbeidsarbitrage - vaak verhullend aangeduid met termen als waarde- of aanbodketens - niets anders dan een urgente overlevingstactiek, die noodzakelijk was geworden in de veranderende dynamiek van de mondiale economie, als gevolg van concurrerende megabedrijven. Deze worden, zo is de redenering, voortgedreven door nieuwe verplichtingen van kostenbeheersing, die ondernemingen pushen om nieuwe manieren van kostenbeperking te zoeken. De groei van de instroom van directe buitenlandse investeringen in het mondiale Zuiden (in verband met de onderlinge handel tussen de verschillende vestigingen van een multinational) heeft zich de afgelopen paar decennia voortgezet en overtreft nu voor het eerst de uitstroom naar de ontwikkelde landen.

En daarnaast is de nieuwe voorkeur voor subcontracting, het uitbesteden van productieactiviteiten aan zelfstandige toeleveranciers (de subcontractors), heel opvallend. Ze vormt een steeds belangrijker onderdeel van de mondiale waardeketens en is vooral in het Zuiden sterk toegenomen. Tussen 2005 en 2010 is in veel productiesectoren - waaronder elektronica, geneesmiddelen en schoeisel - subcontracting veel sterker gegroeid dan de mondiale industrie als geheel. Allemaal het resultaat van het hebzuchtig verlangen van bedrijven om door gebruik van allerlei vormen van controle de arbeid in het Zuiden uit te buiten. Subcontracting is in veel gevallen een manier geworden om nog extremere vormen van uitbuiting te ontwikkelen, als een moderne vorm van de afschuwelijke huisindustrie in het Victoriaans kapitalisme, door Marx in detail beschreven in Het Kapitaal.

Sommige burgerlijke economen zien deze massale toepassing van subcontracting in het licht van een verschuiving in de bedrijfsstrategie, als de zoektocht van bedrijven naar productiestrategieën waarmee ze via kostenreductie en flexibiliteitverhoging hun winsten kunnen verhogen. Anderen ontwikkelden het concept van de klant-gestuurde goederenketens om nadruk te leggen op de bloeiende offshore subcontracting door handelsmultinationals, die hun producten niet (langer) zelf maken, maar ze alleen ontwerpen en verhandelen. Deze visies kunnen wel helpen verklaren wat er aan de oppervlakte gebeurt, toch is een radicaal en marxistisch perspectief nodig om het imperialisme te begrijpen dat aan de basis ligt van deze verschuiving in de bedrijfsstrategie. Mondiale arbeidsarbitrage is niet louter een overlevingstactiek, maar voor multinationals een manier om, in hun poging om kapitaal te accumuleren, hun oligopolistische controle in stand te houden en uit te breiden. Hierdoor zijn wereldwijd nieuwe vormen van arbeidsonzekerheid en superuitbuiting ontstaan.

In 1969 hebben Harry Magdoff en Paul Sweezy (in Notes on the Multinational Corporation) er al op gewezen dat, wanneer multinationals samenklonteren en nog multinationaler worden, het topmanagement steeds verder af komt te staan van het productieproces. Dit verschijnsel heeft tegenwoordig een nieuw hoogtepunt bereikt. Met de wijdverbreide toepassing van subcontractingactiviteiten is de directe betrokkenheid van multinationals bij de productie grotendeels (zo niet helemaal) verdwenen. Veel bedrijven maken hun producten niet zelf, maar laten dat over aan fabrieken in het buitenland, vaak in de vorm van sweatshops. In de afgelopen twee decennia zijn indrukwekkende studies verschenen van dergelijke multinationals, zoals Nike - een bedrijf dat begon als importeur van schoenen uit Japan, en dat sindsdien bijna zijn gehele productie heeft uitbesteed naar het buitenland, vooral naar Azië.

Natuurlijk profiteren niet alleen bedrijven die gebruikmaken van subcontracting van de ongelijke ruilverhoudingen van de mondiale arbeidsarbitrage, dat doen alle multinationale bedrijven met het hoofdkantoor in het mondiale Noorden. In het ene na het andere land in het Zuiden buiten ze de arbeid uit en behalen zo enorme winstmarges. Het subcontractingsysteem zorgt er ondertussen ook voor dat veel van de kritiek op deze grove uitbuiting kan worden ontkracht, doordat bedrijven nu de verantwoordelijkheid doorschuiven naar hun lokale, buitenlandse toeleveranciers. Ook de meer traditionele multinationals, die vroeger hun directe buitenlandse investeringen in eigen vestigingen staken, hebben het gebruik van subcontracting verhoogd, zodat de omvang van de directe buitenlandse investeringen op zich niet langer een geschikte maatstaf vormt voor de totale mondiale activiteiten van het financiële kapitaal van de monopolisten.

De grote vraag is hoe de reuzebedrijven, die voornamelijk in het Westen zijn gevestigd, in staat zijn om de productie te blijven controleren en om de winsten te blijven overhevelen onder omstandigheden waarin het merendeel van de productie - ook veel van de meest geavanceerde - nu uitgevoerd wordt in het mondiale Zuiden als onderdeel van een systeem van mondiale goederenketens, terwijl de voordelen onevenredig naar het mondiale Noorden gaan via processen van waardetoe-eigening en niet van waardevorming.

Deze paradox lijkt nog groter als er sprake is van subcontracting, want de directe buitenlandse investeringen van bedrijven als Nike - en inmiddels vele andere - gaan nu gepaard met het van een afstand controleren van zowel het productieproces als de winsten, zonder direct bij de productie betrokken te zijn. Vermoedelijk is het belangrijkste machtsmiddel hierbij dat deze multinationals door over te stappen naar een andere subcontractor nog sneller een productielocatie kunnen sluiten en de productie naar elders kunnen verplaatsen. Vanuit hun dominante machtspositie kunnen ze de zo ontstane kosten probleemloos afwentelen op de oude en de nieuwe toeleveranciers.

Bij dit soort activiteiten, waarbij de controle van een afstand moet worden uitgeoefend, blijven voor het kapitaal de risico's toch toenemen. De locatie van het merendeel van de mondiale goederenproductie in het mondiale Zuiden - in de vorm van eigen vestigingen of op basis van subcontracting - brengt enorme gevaren met zich mee en bedreigt het vermogen van het kapitaal om te oogsten waar het niet heeft gezaaid. Wat als de opkomende economieën en hun staten sterk genoeg worden om enige controle over de productie te gaan uitoefenen, over de informatiesystemen die de productie sturen, of over de wettelijke en commerciële randvoorwaarden? Wat zijn de gevaren van arbeidsonrust die het gevolg is van de superuitbuiting? Hoe kan de multinational onder deze omstandigheden de controle over de technologie behouden? Hoe aannemelijk is het dat de mondiale goederenketens waarvan deze bedrijven nu afhankelijk zijn, op de een of andere manier verbroken kunnen worden?

Om dit uitbuitingssysteem van mondiale toe-eigening aan de gang te houden, moeten de multinationale ondernemingen, gesteund door de imperiale macht van de staten in het centrum van het systeem, hun monopolistische controle over met name financiering en technologie zien te behouden. Volgens Samir Amin (in Capitalism in the Age of Globalization, 1997) gaat het bij het behoud van de dominante positie van het centrum van de wereldeconomie daarnaast ook nog om de controle over grondstoffenvoorraden, communicatie en militaire macht, en ook hiervoor is de actieve rol van de staten in het centrum vereist. Het hedendaagse 'algemene monopoliekapitalisme' steunt op de gezamenlijke inspanningen van het centrale drietal (de Verenigde Staten, West-Europa en Japan) om het systeem soepel te laten lopen - met Washington als de hegemoniale macht die voor de belangrijkste coördinatie zorgt.

Financiële, technologische en communicatieve controle door het centrum, ondersteund door de militaire en geopolitieke controle door de kapitalistische staten, maakt het de multinationals met hun hoofdkantoor in de centrale imperiale staten mogelijk om zonder angst voor onteigening de productie wereldwijd te verplaatsen en om zich het leeuwendeel van de geproduceerde waarde toe te eigenen.

Bron: Intan Suwandi en John Bellamy Foster, Multinational Corporations and the Globalization of Monopoly Capital, From the 1960s to the Present; in Monthly Review 68 nr. 3, juli-augustus 2016
http://monthlyreview.org/2016/07/01/multinational-corporations-and-the-globalization-of-monopoly-capital-from-the-1960s-to-the-present/

Vertaling en bewerking: Louis Wilms

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019