Revolutionaire strategie in niet-revolutionaire tijden

i-007-014.jpg
Symbool voor de Europese Centrale Bank in Frankfurt omgeven door politiebusjes bij protest in 2012. Het versterken van het repressieapparaat loopt gelijk op met verdere monopolisering van bedrijven en instituten. (Foto: KamiSilenceAction/Flickr/cc/by-nc)

Huidig kapitalisme en antimonopolistische strategie

Willi Gerns

[Deel 2 van 2]

[In haar eerste partijprogramma van 1978 motiveert de DKP waarom het kapitalisme vervangen moet worden door het socialisme en definieert ze het socialistisch doel van de partij. Tegelijkertijd gaat ze ervan uit dat het onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk is te strijden voor overgangseisen om de weg naar het socialisme te effenen. Overgangseisen zijn eisen die aansluiten bij de directe dagelijkse belangen van de werkende bevolking, al ingrepen in de beschikkingsmacht van het grootkapitaal beogen en over de bestaande maatschappelijke orde heen kijken.

In de loop van de strijd voor dergelijke eisen zal zich naar verwachting aan de hand van eigen ervaringen het klassenbewustzijn van de arbeidersklasse ontwikkelen, het inzicht in de noodzaak van verdergaande maatschappelijke veranderingen groeien en zullen zo de subjectieve voorwaarden voor het overwinnen van het kapitalisme gecreëerd kunnen worden. De strijd voor overgangseisen kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot overgangsfasen die een gunstige basis vormen voor de verdere strijd op de weg naar het socialisme.]

Stamokap en antimonopolistische strategie

De vraag of we te maken hebben met een einde van het staatsmonopolistisch kapitalisme of slechts met vormveranderingen in dit systeem is van centrale betekenis voor onze strategische oriëntatie. We hebben immers 'de strategie van de strijd voor antimonopolistische overgangen op de weg naar het socialisme' vooral afgeleid uit de totstandkoming van het staatsmonopolistisch kapitalisme.

  1. De monopolies die hun macht samengevoegd hebben met de macht van de kapitalistische staat, vormen de ruggengraat van het huidige kapitalisme. Met het uitschakelen van hun macht wordt daarom de belangrijkste hindernis voor het openen van de weg naar het socialisme overwonnen. Daarom is het objectief noodzakelijk om alle krachten te concentreren op de strijd tegen het monopoliekapitaal, tegen de verenigde macht van monopolies en staat.
  2. Onder de voorwaarden van het huidige kapitalisme verkrijgt de democratische strijd en zijn vervlechting met de strijd voor het socialisme een nieuwe kwaliteit. Was in de beginperiode van de arbeidersbeweging de strijd voor democratische rechten en vrijheden gericht tegen het feodalisme of resten daarvan, zo moet die tegenwoordig vooral gevoerd worden tegen het monopoliekapitaal en zijn drang tot onderdrukking en uitholling van democratische rechten. Het gaat daarbij net zo weinig om een herstel van de door de monopolies en hun staat steeds meer genegeerde klassieke burgerlijke democratie, als het ook utopisch zou zijn terug te willen keren naar het kapitalisme van de vrije concurrentie. Het gaat veeleer om het tot stand brengen van voorwaarden voor een kwalitatief nieuwe, een antimonopolistische democratie. Omdat de strijd voor democratie tegenwoordig gericht moet worden tegen de macht van de monopolies en daarmee tegen de belangrijkste hindernis op de weg naar het socialisme, wordt hij nog sterker dan vroeger tot een direct onderdeel van de strijd voor het socialisme.
  3. Uit de ontwikkeling van het staatsmonopolistisch kapitalisme volgen tegelijkertijd belangrijke conclusies voor de bondgenotenpolitiek. Door de samenvoeging van de macht van de monopolies met die van de staat is een machtskartel ontstaan dat enkel door een sterke tegenkracht kan wordenoverwonnen. Deze zal des te sterker zijn naarmate het lukt om zoveel mogelijk tegenstanders van de monopoliebourgeoisie uit alle groepen en lagen die - ook als dit slechts in deelvragen het geval is - in verzet komen tegen het staatsmonopolistisch systeem, samen te brengen in een breed antimonopolistisch bondgenootschap.
  4. Tenslotte en niet op de laatste plaats hebben we ons bij 'de strategie van de strijd voor antimonopolistische overgangen op de weg naar het socialisme' daardoor laten leiden dat het marxisme er altijd van is uitgegaan dat voor een succesvolle socialistische omwenteling naast de rijpheid van de materiële voorwaarden in de vorm van een bepaald ontwikkelingsniveau van de productiekrachten en van de kapitalistische productieverhoudingen, ook een voldoende graad van rijpheid van de subjectieve factor aanwezig moet zijn. Daartoe behoren een bepaalde getalsmatige sterkte van de arbeidersklasse, een hoge organisatiegraad en grote mate van eenheid van actie, de erkenning van de noodzaak van het socialisme door de meerderheid van de arbeidersklasse en haar bereidheid om daarvoor te strijden. Het noemen van deze factoren alleen al is voldoende om in te zien dat tegenwoordig in Duitsland absoluut geen sprake kan zijn van een rijpheid van de subjectieve factor voor een socialistische omwenteling. De overweldigende meerderheid van de arbeiders en werknemers moet eerst in een lang proces van de klassenstrijd op basis van hun eigen ervaringen gebracht worden tot de erkenning van de noodzaak van het socialisme en de bereidheid om daarvoor te strijden. De dagelijkse strijdervaringen stoten tegenwoordig echter allereerst op de almacht van de banken en ondernemingen, en de hun belangen dienende politiek van de staat. Ook dit gezichtspunt hebben we in onze strategische oriëntatie meegenomen.

Daarom moeten we ervan uitgaan dat de oriëntatie op de strijd voor fundamentele antimonopolistische veranderingen als overgangen op de weg naar het socialisme (welke begrippen daarvoor ook gekozen mogen worden) - bij alle noodzakelijke aanpassingen aan de concrete situatie - principieel juist blijft. Juist blijft ook dat het tegenwoordig als inleidende stap gaat om te strijden voor eisen die we in onze programmatische documenten onder het begrip 'wending naar democratische en sociale vooruitgang' hebben samengevat.

De noodzaak van een dergelijke wending werd terecht afgeleid uit het reactionaire keerpunt dat zich al ten tijde van de programmadebatten van 1978 aftekende. De daarmee verbonden oriëntatie op de verdediging van de verworvenheden als uitgangspunt voor stappen vooruit is tegenwoordig nog dringender, maar tegelijk ook nog veel moeilijker uitvoerbaar als toen. Dat geldt natuurlijk nog extra voor antimonopolistische hervormingen. Onder de geschilderde randvoorwaarden van de zogenoemde globalisering is zelfs een terugkeer naar de keynesiaanse hervormingspolitiek van de jaren 1970 maar moeilijk voor te stellen. Daartegen verzetten zich niet alleen de wereldeconomische vervlechtingen en de macht van de transnationale ondernemingen, maar ook de enorme staatsschuld. Nog afgezien van het feit dat met het wegvallen van de systeemconcurrentie als gevolg van de nederlaag van het socialisme, ook de politieke hervormingsdruk die daarvan uitging, ontbreekt. Speelruimte voor sociale en democratische hervormingen kan alleen verkregen worden door een herverdeling van boven naar beneden, door strenge maatregelen tegen financiële speculatie en dergelijke. Dat vereist echter tenminste het ingrijpen in de beschikkingsmacht van het kapitaal en leidt dus naar de eigendomsvraag.

De verdediging van wat al bereikt is, en elke stap vooruit moeten daarom gerealiseerd worden tegen de verwoede weerstand van de verenigde macht van monopoliekapitaal en staat. Alleen wanneer deze als tegenstander erkendwordt en de hoofdaanval daartegen wordt uitgevoerd, alleen wanneer het lukt grote delen van de arbeidersklasse daarvoor te mobiliseren en zoveel mogelijk andere krachten als bondgenoten te winnen, kunnen successen behaald worden. Daarom is het nodig de verdediging van sociale en democratische verworvenheden te verbinden met progressieve hervormingsvoorstellen en fundamentele systeemkritiek, met antimonopolistische alternatieven en het socialistisch perspectief, ook al lijken deze tegenwoordig nog verder weg dan in 1978.

Met het oog op een nieuw uit te werken partijprogramma van de DKP kan de in 1978 geformuleerde oriëntatie niet zomaar afgeschreven worden. Natuurlijk zijn er sindsdien diepgaande veranderingen opgetreden, die moeten grondig worden bestudeerd. Vooral moet erover nagedacht worden welke conclusies getrokken moeten worden uit de nieuwe ontwikkelingen in het kapitalisme. Daartoe moet zeker horen dat de aanval nog sterker gericht wordt tegen de transnationale ondernemingen en een nog groter gewicht aan de internationale solidariteit gegeven wordt, dat de verdere integratie in het Europa van de monopolies ons niet pas met betrekking tot het socialistisch doel voor geheel nieuwe internationalistische uitdagingen plaatst, maar vandaag al bij de verdediging van sociale en democratische verworvenheden en morgen bij de strijd voor fundamentele antimonopolistische veranderingen. Een nieuw partijprogramma moet een verdere kwalitatieve stap vooruit zetten.

Bron: Willi Gerns, Revolutionäre Strategie in nichtrevolutionäre Zeiten, Neue Impulse Verlag, Essen, 2015; pag. 135-145.

Vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019