Het einde van het neoliberaal sociaal contract

Dónal ó Coisdealbha

Tussen de jaren 1970 en 2008 gebeurde er in de landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) iets vreemds: de economische groeicijfers die op papier mager afstaken tegen die van de jaren 1950 en '60, leken op de een of andere manier enorm opgekrikt door een massief steunpakket dat niet in de statistieken van de nationale rekeningen te vinden was.

Deze subsidiëring bleek de goedkope arbeid en snelle automatisering in de productiecentra van het Mondiale Zuiden te zijn. De westerse regeringen kwamen tot de ontdekking dat zolang allerlei geïmporteerde goederen jaar na jaar goedkoper werden, een steeds lager loonaandeel in de winst voldoende was om de reële koopkracht van hun eigen arbeiders in stand te houden.

Dit werd zelfs nog profijtelijker voor de landen in het kapitalistisch centrum. Want die belastten eerst de goederen met importheffingen en vervolgens met btw de binnenlandse circulatie ervan en alle diensten die zonder die importen niet zouden worden geleverd (zoals detailhandel, reclame, financiering, advies, training). Wat deze regeringen ontdekten, was dat tegelijk met de duidelijk dalende binnenlandse groeicijfers hun schatkist zo vol liep, dat ze aspecten van hun welvaartsstaat in stand konden houden, ook al plunderden ze hun eigen publiek domein door de privatisering van publieke diensten en publiek eigendom.

In deze periode ontstonden op de wereld dus niet één maar twee mondiale economieën. In het Mondiale Zuiden moesten de ondernemingen onderling concurreren om goedkope producten te maken voor verkoop aan de kapitalistische kernlanden, en dus - ook al ontwikkelde hun productief vermogen zich verder - de lonen van hun arbeiders laag houden en daarmee de lokale ontwikkeling opofferen aan de 'concurrentiekracht op de arbeidsmarkt'. Daarnaast vormden de ondernemingen in het kapitalistische centrum een aparte groep van onderling concurrerende bedrijven, weliswaar afhankelijk van maar niet in directe concurrentie met hun tegenhangers in het Mondiale Zuiden.

Het probleem van het kapitalisme is evenwel dat de meerwaarde die anderen produceren, uiteindelijk op kan raken. Dat is in feite het centrale probleem dat Marx zo'n 170 jaar geleden aanwees: de dalende winstvoet. De ruilwaarde van goederen wordt bepaald door hun productiekosten; en als deze bijv. door automatisering onder een bepaald niveau komen, stort het intern reguleringsmechanisme van het systeem - het winstmotief - in en worden verdere particuliere investeringen in automatisering zinloos.

Daarom stromen deze investeringen steeds meer naar de dienstensector, die evenwel niet in staat is de winstgroei - d.i. de groei in de onttrekking van meerwaarde aan arbeid - aan de gang te houden op de manier zoals offshoring en automatisering van fabrieken dat in de 20ste eeuw deden. Waar diensten dit soort groei wel realiseren, of proberen te realiseren, kan dat eigenlijk alleen maar door monopolistische controle van markten: denk aan Amazon, Airbnb, Google, Facebook of Uber - en daarmee wordt hét kenmerk van concurrerende kapitalistische markteconomieën onderuit gehaald.

Aaron Benanav van de Humboldt Universiteit in Berlijn zei het in niet-marxistische taal zo: "De werkelijke oorzaak van de aanhoudend geringe vraag naar arbeid is de toenemende vertraging van de economische groei sinds de jaren 1970, toen de industriële overcapaciteit zich over de gehele werelduitbreidde en er geen alternatieve groeimotor ontstond - een ontwikkeling die als eerste door Robert Brenner werd geanalyseerd en daarna met enige vertraging en tegenzin door mainstream economen werd erkend onder de noemers 'secular stagnation' en 'Japanification' [de 'eeuwige' stagnatie, waarmee Japan al bijna drie decennia te maken heeft]".

Het bleek dat je een behoorlijke economische expansie kunt krijgen als je andere mensen een stuk minder betaalt voor veel van het werk dat jouw economie anders zelf zou moeten doen. In een dergelijke situatie kun je je eigen arbeiders in hun laagwaardige dienstenbanen de volledige waarde van hun werk betalen, of zelfs meer dan dat! Deze arbeiders kunnen denken dat ze zelf helemaal niet meer tot het proletariaat behoren, zo goed lijkt het systeem voor hen te werken. Zolang de meerwaarde ergens anders wordt onttrokken, aan ogenschijnlijk andersoortige mensen die aan de andere kant van de wereld andersoortig werk doen, kan het systeem winstgevend blijven.

De door Benanav genoemde industriële overcapaciteit ligt aan de basis van wat we nu kennen als de 'gig economy', de klusjes- of schnabbeleconomie. De kraan die een constante stroom van meerwaarde laat vloeien naar de economieën die Charles Maier van de Harvard Universiteit 'het wereldrijk van de consumptie' heeft genoemd, is nog niet dichtgedraaid, maar de stroom is nu wel al twaalf jaar aan het afnemen.

Waar zijn de winsten dan te vinden waarop zowel de private ondernemingen als de kapitalistische staat rekenen? De enige reële oplossing is het verhogen van de binnenlandse uitbuitingsgraad, d.w.z. het vinden van manieren om de arbeid in eigen land goedkoper te maken ter compensatie van de teruglopende winsten uit de automatisering die het tijdperk van de globalisering kenmerkte.

In veel opzichten is het schokkend hoe weinig links en vakbeweging (hier in Ierland) gereageerd hebben op de honderdduizenden vaste banen in eigen land die vrij plotseling overgegaan zijn in deeltijdwerk, tijdelijk werk, uitzendwerk, nulurencontracten, zzp-contracten, etc. Na alle zware vakbondsstrijd van de 20ste eeuw is het onthutsend dat een bedrijf als Uber of Deliveroo simpelweg kan zeggen: "We hebben geen werknemers, we hebben rijders"; en in een klap hebben deze arbeiders geen arbeidsbescherming meer.

De waarheid is dat de 'gig-economie' gewoon het kapitalisme is in zijn standaardvorm, dat binnen zijn eigen regelgevend kader normaal functioneert; daartoe moeten de nieuwe winsten natuurlijk wel ergens vandaan komen. Het tijdperk van de globalisering was er een van brute uitbuiting, maar die gebeurde elders. Nu we het post-covid tijdperk binnengaan, met een globalisering die zich halsoverkop terugtrekt, zal de 'gig-economie' die nu goed is voor circa 10 procent van de Ierse werkgelegenheid en verder groeit, simpelweg als 'de economie' gezien gaan worden. In de jaren 2020 is de klassenstrijd terug, maar tot nu toe heeft slechts één klasse aanvallen gelanceerd.

Bron: Socialist Voice september 2020; https://socialistvoice.ie/2020/09/the-end-of-the-neoliberal-social-contract/

Vertaling: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019