Revolutionaire strategie in niet-revolutionaire tijden

Lenins werk 'Wat te doen?' en het vraagstuk van het klassenbewustzijn nu

i-006-016.jpg
Communisten werken aan vrede en veiligheid. (Foto: Manifest)

Willi Gerns

[Deel 3 van 4]

Sinds de eerste uitgave van Lenins werk 'Wat te doen?' in maart 1902 zijn meer dan 100 jaar verstreken. In deze periode hebben zich in de wereld fundamentele veranderingen voltrokken. Dat werpt de vraag op: kan dit geschrift ons voor de hedendaagse omstandigheden nog iets belangrijks zeggen?

Ik wil deze vraag met een eenduidig 'ja' beantwoorden. Natuurlijk bevat 'Wat te doen?' tijdgebonden en op de toenmalige situatie in Rusland toegesneden uitspraken, die tegenwoordig niet meer relevant zijn. Enkele van de 'brandende vragen van onze beweging', zoals de ondertitel van het geschrift luidt, en de door Lenin daarover geformuleerde centrale stellingen zijn naar mijn overtuiging voor socialisten en communisten evenwel vandaag [2010] niet minder brandend als toen.

Ik denk daarbij aan zijn uitspraken over het wezen van het bersteinianisme, een van Eduard Bernstein en zijn aanhangers in Duitsland uitgaande ideologische stroming, die zich in die tijd steeds verder uitbreidde in de internationale sociaaldemocratie en vervolgens leidde tot de splitsing daarvan in een reformistische vleugel die vrede sloot met het kapitalisme, en een revolutionaire communistische vleugel. De gedachten die Lenin in dit verband uitte, zoals die over de verhouding tussen hervorming en revolutie en tussen economische en politieke strijd, en over de betekenis van de revolutionaire theorie voor de arbeidersbeweging, lijken me gelet op de huidige programmatische discussies in de linkse partijen in Duitsland beslist actueel te zijn.

Met het oog op de diepe crisisverschijnselen van het huidige kapitalisme beschouw ik Lenins uitspraken over het klassenbewustzijn van de arbeidersklasse ook als bijzonder actueel. Deze crisis stelt opnieuw, dringender nog dan enkele jaren geleden, de vraag naar een alternatief voor het kapitalisme en naar de krachten die nodig zijn om dat te realiseren.

Het marxisme ziet in de arbeidersklasse de beslissende kracht in de strijd voor de overwinning van het socialisme op het kapitalisme. Omdat over het begrip arbeidersklasse en haar rol in de maatschappelijke conflicten bij mensen veel onduidelijkheid bestaat, wil ik eerst proberen met behulp van uitspraken van de marxistische klassieken hierin helderheid te verschaffen, opdat we begrijpen waarover het gaat.

Marx en Engels hebben de arbeidersklasse gedefinieerd als die klasse van de kapitalistische maatschappij die, vrij van productiemiddelen, gedwongen is haar arbeidskracht te verkopen aan de kapitalistische eigenaren van de productiemiddelen en die door hen wordt uitgebuit.

Hiervan uitgaand heeft Lenin in zijn artikel 'Het grote initiatief' een uitgebreidere definitie geformuleerd. Hij schreef daar: "Als klassen duidt men grote mensengroepen aan die zich van elkaar onderscheiden op basis van hun plaats in een historisch bepaald systeem van maatschappelijke productie, op basis van hun (grotendeels in wetten vastgelegde en geformuleerde) verhouding tot de productiemiddelen, op basis van hun rol in de maatschappelijke organisatie van de arbeid en derhalve op basis van de manier waarop ze hun aandeel verkrijgen in de maatschappelijke rijkdom en op basis van de grootte van het aandeel waarover ze beschikken. Klassen zijn groepen van mensen waarvan de ene zich de arbeid van de anderen kan toe-eigenen als gevolg van haar andere plaats in een bepaald systeem van sociale economie."

Tot de arbeidersklasse behoren derhalve degenen die vrij van productiemiddelen gedwongen zijn hun arbeidskracht aan de bezitters van de productiemiddelen te verkopen en die door hen worden uitgebuit; die in de bedrijven niet op de commandobrug staan, maar gecommandeerd worden; die hun aandeel in de maatschappelijke rijkdom verkrijgen door hun eigen hand- en hoofdarbeid en van wie het aandeel slechts zo groot is dat ze steeds opnieuw gedwongen zijn hun arbeidskracht aan de eigenaren van de productiemiddelen te verkopen.

Als we van deze definitie uitgaan, behoren tegenwoordig niet alleen de industriearbeiders tot de arbeidersklasse, maar ook de grote meerderheid van de overige werknemers en daarmee in de hoogontwikkelde kapitalistische landen het overgrote deel van de samenleving.

Dat was in de geschiedenis van het kapitalisme niet altijd zo. In zijn beginperiode waren de bedienden een van de eigenlijke arbeidersklasse afgezonderde maatschappelijke laag. Ze hadden tegenover de industriearbeiders een duidelijk bevoorrechte positie.

In de laatste decennia is het aandeel van deze 'bedienden' onder de loonafhankelijken dat van de industriearbeiders steeds meer gaan overtreffen. Dat heeft evenwel het bijzondere gewicht van deze laatsten voor de klassenstrijd op geen enkele wijze verminderd. Industriearbeiders zijn werkzaam in het centrum van de kapitalistische productie- en winstgenererende processen, voor een belangrijk deel geconcentreerd in de grote concernondernemingen, nog altijd het best georganiseerd in vakbonden en hebben de grootste ervaring in de vakbondsstrijd.

Tegelijkertijd krijgen echter ook bepaalde groepen van niet-industriearbeiders een steeds grotere betekenis voor stakingen en andere vormen van klassenstrijd vanwege hun plaats op kwetsbare punten van het huidige kapitalisme zoals het bankwezen, op centrale posities in computernetwerken, etc.

Haar rol in de huidige klassenconflicten en zeer zeker in de strijd voor de overwinning van het kapitalisme door een samenleving die vrij is van de uitbuiting van de ene mens door de andere, kan de arbeidersklasse alleen dan vervullen wanneer ze, zoals Marx het noemt, van een 'klasse-op-zich' in een 'klasse-voor-zich' verandert. M.a.w. wanneer ze zich bewust wordt van haar situatie als uitgebuite klasse en beseft dat ze zich uit deze toestand alleen maar kan bevrijden wanneer ze samen met andere maatschappelijke groepen waarvan de belangen botsen met die van het kapitaal, de politieke macht verovert en daarmee de belangrijkste productiemiddelen in gemeenschappelijk eigendom omgezet worden.

Dat was in de tijd dat Lenin zijn werk 'Wat te doen?' schreef, niet anders. Vragen over de ontwikkeling van het klassenbewustzijn van de arbeidersklasse plaatste hij daarin dan ook centraal. Wel moeten de uitspraken van Lenin over deze problematiek vandaag natuurlijk betrokken worden op een arbeidersklasse die zich - vooral in de ontwikkelde kapitalistische landen - in structuur, arbeidsomstandigheden, levenswijze en levensstandaard, technische en algemene scholing alsook in haar bewustzijn wezenlijk onderscheidt van de Russische arbeidersklasse aan het begin van de vorige eeuw. De fundamentele klassenkenmerken zijn evenwel gebleven.

Lenin maakt onderscheid tussen elementair en hoger, meer inzicht en kennis vereisend klassenbesef. Als een werknemer gewoon alleen maar kwaad is op de concernbazen die het bedrijf sluiten en hem als afval op straat gooien, en hij zich onder het devies 'je kunt toch niets doen' moedeloos in zijn lot schikt - een reactie die tegenwoordig wijd verbreid is en waarvan de oorzaken in het tweede deel van mijn verhaal terugkomen - dan is dat nog geen klassenbewustzijn, want dit hangt, zoals het woord al zegt, samen met kennis, met inzichten. Wat bij deze werknemer opkomt is veeleer een vaag klassengevoel.

Wanneer daarentegen voor de arbeidsplaatsen gestreden wordt en de belangen van het personeel enerzijds en die van de aandeelhouders en bazen anderzijds op elkaar botsen, kan uit de ervaringen in deze strijd - zoals in andere vormen van klassenstrijd ook - beslist spontaan het inzicht ontstaan dat arbeid en kapitaal tegengestelde belangen hebben en dat eisen van werknemers alleen in solidair en georganiseerd handelen tegen de kapitalisten gerealiseerd kunnen worden. Lenin noemt dergelijk elementair klassenbesef enkel 'trade-unionistisch' of vakbondsbewustzijn, en karakteriseert het spontane element ervan als kiemvorm van bewustheid.

De ervaring leert echter dat dergelijke kiemvormen van bewustheid na beëindiging van de strijd ook even snel weer bedolven worden onder het trommelvuur van de burgerlijke media en andere kanalen van de burgerlijke ideologie, wanneer ze niet wakker gehouden en verdiept worden door het bewustzijnsvormende werk van vakbondsleden die zich oriënteren op de socialistische theorie, en van socialisten en communisten.

Tussen het elementair klassenbesef en het socialistisch bewustzijn, de hoogste vorm van klassenbewustzijn van de arbeidersklasse dat zich baseert op inzichten van het wetenschappelijk socialisme, ligt een hele reeks van steeds hogere niveaus van klassenbewustzijn.

Op eigen kracht kan volgens Lenin de arbeider enkel een trade-unionistisch of vakbondsbewustzijn ontwikkelen. En wanneer we de geringe en teruglopende organisatiegraad van de vakbonden in Duitsland bekijken, dan wordt duidelijk hoe moeilijk zelfs dat tegenwoordig is.

Hogere vormen, politiek klassenbewustzijn en vooral het socialistisch bewustzijn, kunnen zich volgens Lenin niet spontaan ontwikkelen. Spontaan dringt zich aan de werknemers de burgerlijke ideologie op, "omdat die veel eerder ontstaan is dan de socialistische, omdat die veelzijdiger ontwikkeld is en omdat die beschikt over onvergelijkbaar meer middelen van verspreiding." De burgerlijke ideologie werkt in het kapitalisme op de mensen in van de wieg tot het graf, elke dag, via kerk, onderwijs, leger en bedrijf, via de burgerlijke media.

[wordt vervolgd, telling in Manifest 9 en 10 was onjuist. In totaal 4 stukken]

Bron: Willi Gerns, Revolutionäre Strategie in Nichtrevolutionäre Zeiten, Neue Impulse Verlag, Essen, 2015; pag. 239-248.

Vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019