Revolutionaire strategie in niet-revolutionaire tijden

i-006-020.jpg
Symbool van het communitisch verzet. (Foto: Voorwaarts)

Lenins werk 'Wat te doen?' en het vraagstuk van het klassenbewustzijn nu

Willi Gerns (*)

[Deel 4 van 4]

Marx noemde in de brief die hij in 1868 aan Kugelmann schreef, het "inzicht in de samenhang ... van de bestaande situatie" een essentiële voorwaarde voor de politieke groepering van het proletariaat. Dit inzicht ontwikkelt zich evenwel niet vanzelf of uit zichzelf, dus niet spontaan.

Lenin benadrukt in 'Wat te doen?' dat het politiek bewustzijn en met name de inzichten van het wetenschappelijk socialisme naar de arbeidersklasse overgebracht moeten worden, in de klasse binnen gebracht moeten worden. Wat bedoelt hij hiermee?

Met betrekking tot het politiek bewustzijn stelt hij vast dat dit alleen maar kan ontstaan vanuit een gebied buiten de directe ervaringen in de confrontatie met de ondernemers. Een maatgevende rol moeten hierin spelen de betrekkingen tussen de verschillende klassen en groepen in de samenleving, de betrekkingen tussen de klassen en de burgerlijke staat, de rol van de staat bij het realiseren van de klassenbelangen van de bourgeoisie en bij het in stand houden van haar overheersing.

En over het overbrengen van het socialistisch bewustzijn schrijft Lenin dat "de leer van het socialisme voortgekomen is uit de filosofische, historische en economische theorieën die door de geschoolde vertegenwoordigers van de bezittende klassen, door de intellectuelen werden uitgewerkt" en dus in eerste instantie "de arbeiders alleen van buiten" kon worden aangereikt.

"Dat betekent natuurlijk niet", zo vervolgt hij, "dat de arbeiders niet deelnemen aan deze uitwerking. Ze nemen hieraan echter niet deel als arbeider, maar als theoreticus van het socialisme, zoals Proudhon en Weitling. M.a.w. ze nemen alleen dan en in zoverre hieraan deel als het hen in meerdere of mindere mate lukt om zich de kennis van hun tijdperk eigen te maken en deze te verrijken." En dit geldt natuurlijk niet alleen voor de uitwerking, maar ook voor de verdere ontwikkeling van de theorie van het socialisme.

Met de ontwikkeling van de marxistische arbeiderspartij als schakel tussen wetenschappelijk socialisme en arbeidersbeweging is het volgens Lenin dan vooral de taak van deze partij en haar leden zich het wetenschappelijk socialisme eigen te maken en de inzichten ervan verder te verbreiden binnen de klasse waarvan ze onderdeel zijn. En dit natuurlijk niet abstract, maar aansluitend aan de bewustzijnstoestand en de eigen ervaringen van de werknemers.

Vergelijkbare gedachten vindt men overigens ook bij andere marxistische en linkse theoretici. Zo schrijft Wolfgang Abendroth bijvoorbeel: "Blijvend politiek klassenbewustzijn van lagere klassen kan nooit zuiver spontaan ontstaan. Proletarisch klassenbewustzijn behoeft de formulering door kritische intellectuele arbeid, de organisatie door een centrum en de overdracht naar groeiende minderheden van de eigen klasse door politieke acties, waarin deze klasse leert om zich uit de ervaringen van eigen politieke en sociale strijd bewust te worden van haar belangen en om haar geestelijke onderwerping aan de ideologie van de heersende klasse te overwinnen."

En ook bij Herbert Marcuse lezen we: "Zichzelf bevrijden betekent zichzelf scholen, maar daaraan gaat scholing door anderen vooraf."

Dat wat Lenin in 'Wat te doen?' vaststelt over de burgerlijke ideologie en haar invloed op de arbeidersklasse, geldt vandaag nog veel meer dan in zijn tijd. De burgerlijke ideologie dringt tegenwoordig door tot in de fijnste poriën van alle facetten van het leven en dit geenszins zuiver spontaan. Het apparaat voor haar verbreiding is bijna perfect georganiseerd.

De burgerlijke massamedia hebben een macht, waarvan Lenin niet eens kon dromen. In de woningen van de werknemers schuiven de burgerlijke kranten, radio en televisie tegenwoordig al aan bij het ontbijt en het uitzetten van de kijkdoos is vaak de laatste handeling voor het slapengaan.

Bij dit massieve trommelvuur is het niet verwonderlijk dat tegenwoordig ondanks een veel hogere algemene opleiding van de werknemers in vergelijking met Lenins tijd, het klassenbewustzijn in de ontwikkelde kapitalistische landen en met name in Duitsland [en nog meer in Nederland, nvdr], niet hoger, maar eerder lager ontwikkeld is.

Naast het al genoemde zie ik daarvoor een reeks van andere factoren:

  1. Met de wetenschappelijk-technische ontwikkelingen van de laatste decennia zijn diepgaande veranderingen opgetreden in de wereld van de arbeid. Daartoe behoort de verdere fragmentatie van de arbeidersklasse, die de concurrentie binnen de klasse bevordert en een bewustwording van gemeenschappelijke klassenbelangen en solidair handelen bemoeilijkt.

    Het aantal industriearbeiders, dat traditioneel de kern van de arbeidersklasse vormt, dat het best georganiseerd is in vakbonden en dat de grootste strijdervaring heeft in loon- en andere conflicten, is dramatisch gedaald, terwijl de dienstensector enorm gegroeid is. Daarmee zijn, zoals al gezegd, bij de loonafhankelijken de gewichten in de verhouding industriearbeider - niet-industriearbeider sterk verschoven ten koste van de traditionele arbeiders. Met deze ontwikkelingen is ook een afnemen van de vakbondsorganisatiegraad verbonden.

    De verdere differentiatie van de arbeidersklasse wordt ook door de neoliberale politiek van de machthebbers bewust gestimuleerd. Het personeel wordt door uitzendwerk en lage lonen gesplitst in een vast en een flexibel deel. Werkenden en werklozen, werknemers van verschillende nationale herkomst, mannen en vrouwen worden tegen elkaar uitgespeeld.

  2. Negatief voor de ontwikkeling van het klassenbewustzijn is het verdwijnen van de arbeidersmilieus na de Tweede Wereldoorlog geweest. Arbeiderswijken, arbeiderssport-, arbeidersvormings- en arbeiderscultuurverenigingen die arbeidersbewustzijn, saamhorigheid en solidariteit bevorderden, zijn bijna helemaal verdwenen.
  3. Het anticommunisme en anti-Sovjetisme die in Duitsland probleemloos vanuit het fascisme zijn overgeplant, hadden en hebben nog altijd fatale uitwerkingen op het bewustzijn van de arbeidersklasse.
  4. Een andere belangrijke factor tegen de ontwikkeling van het klassenbewustzijn was en is de door de sociaaldemocratie en de vakbonden gevolgde politiek van het sociaal partnerschap. Die viel in de tijd van het zogenaamde 'Wirtschaftswunder' en de relatief lang aanhoudende opgaande conjunctuur in het vroegere West-Duitsland op vruchtbare grond. Tegen de achtergrond van de beginnende wetenschappelijk-technische revolutie en de daarmee gepaard gaande snelle stijging van de arbeidsproductiviteit is het daar binnen enkele decennia tot een aanzienlijke verhoging van de materiële levensstandaard van de arbeidersklasse gekomen. Na de erbarmelijke levensomstandigheden tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog heeft dit natuurlijk sporen achtergelaten in het bewustzijn van de werknemers.
  5. Verder heeft de nederlaag van de socialistische landen in Europa een bijzonder negatief effect gehad en ook nu weer vooral in Duitsland met de inlijving van de DDR. Het is de bourgeoisie, haar politici en media verregaand gelukt het socialisme in diskrediet te brengen en zijn - ondanks onbetwistbaar foute ontwikkelingen - enorme historische prestaties te ontkennen of te verdraaien. Dat draagt er in belangrijke mate toe bij dat in de huidige diepe kapitalistische crisis weliswaar veel ontstemming heerst over de toestand van het kapitalisme en de politiek van de machthebbers, maar er geen reëel alternatief wordt gezien.

    Dit niet zien van een alternatief voor het kapitalisme noemt de socioloog Werner Seppmann in zijn boek 'Krise ohne Widerstand' (crisis zonder verzet) naast de wijdverbreide angst om de arbeidsplaats en de daarmee verbonden angsten voor de toekomst terecht als een belangrijke oorzaak voor het geringe verzet van de Duitse arbeidersklasse in de huidige crisis. Gelijk heeft hij dan ook, als hij daaruit de conclusie trekt dat een primaire opdracht voor de linkse krachten eruit zou moeten bestaan toekomstperspectieven te ontwikkelen. En dit gelijk op met de overige taken van dit moment.

    In de DKP hebben we in ons in 2006 aangenomen nieuwe partijprogramma onze ideeën voor een nieuw socialistisch toekomstperspectief en de noodzakelijke overgangseisen uitgewerkt. Deze eisen moeten natuurlijk steeds weer door nieuwe ervaringen getoetst worden en we moeten die eisen uitkiezen die het beste de werknemers en volksmassa's ertoe kunnen aanzetten om voor hun belangen actief te worden.

  6. Het lage ontwikkelingsniveau van het klassenbewustzijn als gevolg van de genoemde en andere factoren vindt zijn uitdrukking ook in de huidige zwakte van de marxistische arbeiderspartijen in het algemeen en van de communisten in Duitsland [en Nederland, nvdr] in het bijzonder. Deze zwakte is van haar kant dan weer een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van het klassenbewustzijn in de arbeidersklasse, tenminste wat de hogere vormen ervan betreft, want daarvoor zijn en blijven volgens mij de activiteiten van invloedrijke marxistische arbeiderspartijen onontbeerlijk.

Bron: Willi Gerns, Revolutionäre Strategie in nichtrevolutionäre Zeiten, Neue Impulse Verlag, Essen, 2015; pag. 239-248.

Vertaling en bewerking: Louis Wilms.

(*) Op 29 januari jl. bereikte ons het droevige bericht dat Willi Gerns in de nacht van 25 op 26 januari op 90-jarige leeftijd is overleden. Willi Gerns was onder meer verantwoordelijk voor theorie en scholing in het partijbestuur van de DKP. Patrik Köbele, vz. van de DKP: "zonder hem zou het overleven in dit hoogontwikkelde imperialistische land zeer veel zwaarder geweest zijn". Manifest is dankbaar voor de bijdragen die Willi Gerns leverde aan de theoretische versterking van de NCPN.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019