"Alles wat de mensen in beweging zet, moet door hun hoofd"

Over de rol van het massabewustzijn

i-006-167.jpg
Met een socialistisch bewustzijn omgaan tegen de verwarring rond de Corona-maatregelen, is dé uitdaging voor communisten. In Frankfurt (Duitsland) gingen linkse activisten op 12 december jl. de straat op om tegengas te bieden tegen groepen die demonstreerden tegen de Corona-maatregelen. Zij vormen vooral een voedingsbodem voor rechts-extreme ideeën. (Foto: ZLV)

Jürgen Lloyd

"We moeten ons intensiever dan tot dusver bezighouden met een analyse van de maatschappelijke verhoudingen. Anders zullen we niet in staat zijn om de achtergronden van een plotseling optredende verandering juist te onderkennen, noch om de passende conclusies voor onze vakbondsactiviteit te trekken. Helderheid is noodzakelijk, anders lopen we het gevaar de juiste weg te missen; want wie geen haven heeft, die heeft niets aan de wind." - dit citaat komt uit een toespraak, die Otto Brenner als voorzitter van de Duitse vakbond IG-Metall in 1967 in Hamburg hield voor vakbondsfunctionarissen.

En zo wordt Brenner door Walter Ulbricht geciteerd in een rede uit hetzelfde jaar, waarin deze het citaat aanvult met de opmerking: "En de sleutel voor deze helderheid is de leer van Karl Marx." Wat voor de sociaaldemocratische vakbondsman, die nog niet elke gedachte aan de klassenstrijd opzijgeschoven had, en voor de communistische staatsraadsvoorzitter helder was, lijkt tegenwoordig vaak genegeerd te worden: zonder helderheid over de eigen doelen, motieven en mogelijkheden en over de krachten van de tegenstander, is een politieke strijd - ook al wordt die nog zo geëngageerd gevoerd - nauwelijks succesvol af te sluiten. Degenen die zo 'ouderwets' zijn om in theorie en praktijk trouw te blijven aan het wetenschappelijk socialisme van Marx, Engels en Lenin, weten dat het de taak van marxistisch scholingswerk is om in de eigen hoofden en die van de medestrijders de helderheid te vergroten die nodig is om succesvol stand te houden in de strijd.

In 1965 beschreef de West-Duitse fascisme-onderzoeker Reinhard Opitz in zijn analyse van het [onder toenmalig bondskanselier Ludwig Erhard ontwikkelde] concept van een 'Formierte Gesellschaft' ('geordende samenleving', neoliberale sociale markteconomie) de machtsstrategie van het monopoliekapitaal in de BRD als volgt: "De Bondsrepubliek moet zich bevrijden van haar huidige, pluralistisch-democratische en federalistische maatschappijconstitutie en zich omvormen tot een prestatiegemeenschap waarin alle krachten samen toewerken naar stijging van de industriële productiecapaciteit en van de militaire macht. Alle maatschappelijke groepen moeten daarin eensgezind het belang van het 'geheel' (de 'gemeenschap', het 'algemeen belang') inzien en respecteren, en hun eigen, anders gerichte eisen daaraan ondergeschikt maken."

Nieuwe vormen van machtsuitoefening

In zijn rede onderstreepte Ulbricht dat het bij de 'Formierte Gesellschaft' gaat om nieuwe vormen en methoden van machtsuitoefening. "De imperialisten zijn vastbesloten het gehele maatschappelijke systeem via de 'ordening' van al zijn elementen, van alle terreinen van sociale activiteit en van alle maatschappelijke klassen en lagen om te zetten in een soort van 'superbedrijf', waarin onverdeeld de wil en de orde moeten heersen, die door de belangen van de monopolies worden voorgeschreven. Daartoe dient ook het omvangrijk systeem van de geestelijke manipulatie van de mensen."

De monopoliebourgeoisie ontwikkelt de behoefte aan deze nieuwe vorm van machtsuitoefening, omdat de voorwaarden voor haar eigen bestaanswijze haar daartoe dwingen. Ook in het stadium van het monopoliekapitalisme blijft de concurrentie een drijvende factor voor het kapitaal, met concurrentie tussen monopolies, tussen monopoliegroepen en tussen monopolistisch gedomineerde staten. Het imperialistisch grootkapitaal kan niet anders dan alle middelen mobiliseren om in deze vormen van concurrentiestrijd te overwinnen. En hiervoor heeft het een nieuwe - specifiek imperialistische - greep op de maatschappij nodig. Wat Marx in hoofdstuk 11 van 'Het kapitaal', getiteld 'Coöperatie', gedetailleerd analyseert m.b.t. de betekenis van samenwerking, moeten we aanvullen voor de condities van het staatsmonopolistisch kapitalisme. Marx schrijft: "Alle directe maatschappelijke of gemeenschappelijke arbeid op grotere schaal heeft min of meer behoefte aan leiding, die zorg draagt voor de harmonie tussen de afzonderlijke activiteiten en die de algemene functies uitoefent, welke voortvloeien uit de beweging van het totale productieve apparaat ter onderscheiding van de beweging van zijn zelfstandige organen." Doordat de velerlei activiteiten van de producenten, die ieder individueel hun arbeidskracht aan de kapitalisten verkopen, samengebracht worden in een gemeenschappelijk arbeidsproces, groeit uit deze samenwerking een eigen maatschappelijke productiekracht. Maar omdat onder kapitalistische condities de loonarbeid haar private karakter als activiteit van een individu behoudt, verschijnt deze maatschappelijke productiekracht van de arbeid als productiekracht van het kapitaal.

Ook in het geavanceerd monopolistisch stadium van het kapitalisme, waarin de macht van de monopolies vervlochten is met de macht van de door hen gedomineerde staat, blijft de meerwaarde die in het productieproces wordt gecreëerd, voor wat zijn massa en uitbuitingsgraad betreft, het fundament van de kapitaalmacht. Het monopoliekapitaal is niet alleen in staat om in het onder zijn controle staande arbeidsproces zijn rendement te behalen, het kan (en omdat het kan, moet het ook) elk maatschappelijk samenwerkingsproces aan zijn doelen onderwerpen. Zo wordt ook de vorming van de maatschappelijke betrekkingen die de mensen buiten het productieproces aangaan, van belang voor de machtsontplooiing en de imperialistische concurrentiestrijd van het monopoliekapitaal. Hoe en waarmee mensen hun vrije tijd doorbrengen, is niet alleen van belang voor de vraag wiens producten ze daarbij consumeren. Ook welke cultuur ze tot zich nemen en zelf produceren, wordt tot een factor die de macht van de monopolies kan versterken of verzwakken. De hoge graad van vermaatschappelijking dwingt het imperialisme rekening te houden met het gehele systeem van maatschappelijke betrekkingen. Ulbricht karakteriseert deze ontwikkeling zo: "De in het monopolie besloten tendens naar absolute heerschappij over alle bereiken van de economie en het maatschappelijk leven wint steeds meer terrein. Ze is gericht op het samenvoegen van alle krachten van het kapitalistisch systeem onder zijn commando."

Het nieuwe van deze ontwikkeling is een veranderde rol van het bewustzijn van de massa's. Om het geheel van de maatschappelijke reproductieprocessen optimaal op elkaar afgestemd in beweging te kunnen zetten en om alle activiteiten van alle leden van de maatschappij zo te organiseren dat ze één bepaald doel dienen, komt het bewustzijn van de mensen een beslissende betekenis toe. Want het is dit bewustzijn dat de aard en organisatie van hun activiteiten reguleert. Waar Marx voor de totstandbrenging van de 'harmonie tussen de afzonderlijke activiteiten' bij de samenwerking in het industrieel productieproces het commando van de kapitalisten (dat via manager, opzichter en voorman hiërarchisch doorgevoerd wordt) als noodzakelijke en voldoende voorwaarde beschrijft, daar is in het staatsmonopolistisch kapitalisme de doelgerichte invloed op het bewustzijn van de massa's nodig.

Imperialisme of socialisme

Deze nieuwe rol van het bewustzijn van de massa's van de bevolking is zeker niet alleen in het imperialistisch kapitalisme tot een doorslaggevende factor geworden. Ze geldt evenzo - en in zekere zin zelfs nog veel meer - voor het socialisme. Hierin ligt de samenhang tussen de opgaven in de strijd tegen de staatsmonopolistische heerschappij en de eisen van een socialistische opbouw. Deze samenhang vindt zijn oorzaak in de bereikte graad van vermaatschappelijking. De vorming van samenwerkingsverhoudingen, die zich boven de sector van de directe productie uitbreiden naar verdere terreinen van het maatschappelijk samenleven, wordt tot een beslissende factor in de maatschappelijke ontwikkeling. Want voor de optimale benutting van de in de maatschappelijke samenwerking gelegen productiekracht is het absoluut noodzakelijk dat daarbij alle samenwerkingsverhoudingen in hun hele veelvormigheid worden betrokken. Zowel in het socialisme als in het staatsmonopolistisch kapitalisme is hiervoor in gelijke mate (maar niet op dezelfde wijze!) de bewuste medewerking van de leden van de maatschappij vereist. Hier geldt wat Engels in zijn geschrift 'Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie' formuleerde: "Alles wat de mensen in beweging zet, moet door hun hoofd. Maar het hangt ten zeerste van de omstandigheden af welke vorm dit in hun hoofd aanneemt." Deze omstandigheden zijn in het imperialisme zodanig dat de doelen die aan de samenwerking haar inhoud geven, de doelen van de monopoliebourgeoisie zijn. Ze komen niet voort uit de belangen van de samenwerkende arbeiders, maar uit voor hen vreemde klassenbelangen. Daarom moet een bewustzijn van die vreemde doelen in de hoofden van de arbeiders aanwezig zijn, dat daar hun maatschappelijke activiteiten kan aansturen.

Nodig zijn zelfs een zo zelfwerkzaam, creatief mogelijk meedenken en een individueel verantwoordelijkheidsgevoel voor het bereiken van deze doelen. Alleen van het klassenkarakter van de belangen achter deze doelen mag men zich niet bewust worden. Het belangenbewustzijn van de massa van de bevolking moet noodzakelijkerwijs vervalst zijn. Dit is het wezen van de monopoliekapitalistische manipulatie. [vet door redactie]

Het is evenwel een misvatting te denken dat deze vervalsing van het belangenbewustzijn enkel het resultaat zou zijn van doelgerichte manipulatie. De vraag waarom de burgerlijke ideologie zo massaal geaccepteerd wordt, kan niet volledig beantwoord worden door alleen te wijzen op de omvang van de massamedia in dienst van de grootbourgeoisie of de perfectie waarmee psychologische inzichten en technische verworvenheden worden ingezet als propagandamiddelen van de anticommunistische staatsidee. Bepalend is veeleer dat de politieke macht van de geldoligarchie en de manipulatie van het denken, die gericht is op de onmacht van de werkende bevolking tegenover de maatschappelijke machten en wetten, gebaseerd zijn op een heel specifiek karakter van de economische macht van het kapitaal.

Dit versluiert spontaan de ware machtsverhouding, de antagonistische klassenrelatie, en mystificeert de kapitalistische productiewijze. Alleen al door het bestaan van de kapitalistische verhoudingen creëert de burgerlijke maatschappij een werkelijkheid die, wanneer ze zich in het bewustzijn van de erin levende mensen weerspiegelt, daar alleen maar een wereld op zijn kop kan laten zien. De bewuste manipulatietechnieken van de monopolies krijgen pas op basis van deze 'spontane mystificatie' hun doorslaggevende werkzaamheid.

Socialistisch bewustzijn

De omstandigheden waarvan afhangt welke vorm dat wat de mensen in beweging zet, in hun hoofden aanneemt, hebben in het socialisme een geheel ander karakter. Engels beschrijft dit in 'De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap' als volgt: "De eigen vermaatschappelijking van de mensen, waarmee ze tot dusver geconfronteerd waren als iets dat door de natuur en de geschiedenis aan hen was opgedrongen, wordt nu hun vrije daad." De doelen op basis waarvan het samenspel van de maatschappelijke activiteiten afgestemd kan worden op een alomvattende maatschappelijke samenwerking, stammen dan niet uit vreemde klassenbelangen, maar komen overeen met de objectieve belangen van de grote meerderheid van de bevolking. Daarom wordt niet - zoals in het imperialisme - de vervalsing van het belangenbewustzijn, maar juist de bevordering en ontwikkeling van een passend belangenbewustzijn tot onderdeel en bestaansvoorwaarde van het maatschappelijk systeem.

Bron: RotFuchs december 2020, pag. 21 en 22; PDF-Archiv - RotFuchs
Vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019