Uitbuiting: de onmisbare schakel

i-006-015.jpg
Foto: Shutterstock

Greg Godels

Volgens de etymologie werd het woord 'exploitatie' aanvankelijk op een moreel, politiek en sociaal neutrale manier gebruikt. In het Frans en Engels werd ermee bedoeld het productieve gebruik van lastdieren, levenloze voorwerpen en andere hulpbronnen, maar niet het gebruik van mensen. Mensen exploiteerden, maar ze exploiteerden 'dingen', levende en levenloze. In de negentiende eeuw echter, met de opkomst van de industrialisatie en de enorme uitbreiding van de slavernij, kreeg de term 'exploitatie' een nieuwe betekenis. Schrijvers begonnen hem op een negatieve manier te gebruiken om de zware omstandigheden van fabrieksarbeiders en de onmenselijke behandeling van de slaafgemaakten te beschrijven.

Wellicht gingen schrijvers de term 'exploitatie' toepassen op de heersende sociale verhoudingen omdat ze de behandeling van mensen die bezig waren met hun productieve activiteit als onmenselijk beschouwden. Hoe dan ook werd de term geëxporteerd naar het morele, politieke en sociale domein. (In het Nederlands is 'uitbuiting' de gangbare term voor 'exploitatie' in negatieve zin. Waar het niet over de etymologische betekenis van 'exploitatie' gaat maar over het verschijnsel, gebruik ik in het vervolg 'uitbuiting' - vertaler).

Het misbruiken van trekdieren, machines of natuurlijke hulpbronnen ontlokte geen noemenswaardige morele, politieke of sociale reacties. Het misbruiken van mensen door andere mensen leverde zowel toen als nu vaak wél een negatief moreel, politiek en sociaal oordeel op.

In Engeland werd de fabrieksindustrie steeds belangrijker. Mannen, vrouwen en kinderen werden er onder erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld. De term 'exploitatie' raakte onder de arbeiders en hun voorvechters dan ook in zwang om het industriële systeem te veroordelen. Vroegtijdige dood, ziektes, zwakheid, armoede en ongelijkheid werden gezien als het gevolg van de brute uitbuiting die de opkomst van het kapitalisme had veroorzaakt. In 'Against the Market' beschrijft David McNally heel bekwaam hoe critici, chartisten en vroege socialisten destijds al wezen op exploitatie als de bron van de sociale problematiek.

Tegen deze achtergrond streefden Marx en Engels ernaar om de intuïtie en de morele gevoelens van maatschappijcritici als Charles Dickens, Charles Hall en Robert Owen om te zetten in wetenschappelijke waarheden. Ze namen de taak op zich om 'exploitatie' een robuuste, rationele en objectieve basis te geven, vergelijkbaar met de manier waarop zij het socialisme wilden ontwikkelen van utopie naar wetenschap. In feite was een groot deel van het marxistische programma bedoeld om helderheid en nauwkeurigheid aan te brengen in de ideeën van de onzekere en verwarde oppositie tegen het meedogenloze industriële systeem. In moderne bewoordingen: ze streefden naar een rationele reconstructie van populaire, maar onnauwkeurige en emotionele termen als 'socialisme', 'arbeidersklasse' en 'uitbuiting'.

In hun verder ontwikkelde filosofie stelden Marx en Engels het idee van uitbuiting centraal. Uitbuiting is de voornaamste sociale relatie die verklaart hoe zij die waarde creëren door middel van arbeid afgescheiden zijn van de opbrengst van die arbeid. Uitbuiting laat zien hoe een kleine minderheid de door anderen gecreëerde rijkdom kan vergaren en behouden zonder deze te stelen of direct af te dwingen.

De verschuiving van de term 'exploitatie' van de verhouding tussen mensen en dingen naar een vastgelegde verhouding met schijnbaar wederzijds goedvinden tussen mensen en andere mensen houdt een conceptuele sprong in: het idee van menselijke arbeid als handelswaar. En om arbeid handelswaar te laten worden, stelden Marx en Engels dat er in feite een verschil moet zijn tussen arbeidskracht die op de markt geruild kan worden enerzijds en de feitelijke, unieke en variabele arbeid die mensen dagelijks voor zichzelf of anderen besteden. Uitbuiting is dus een noodzakelijke en beslissende voorwaarde voor het kapitalistische systeem. [vet door redactie] Marx' formele uiteenzetting van de exploitatiegraad in Deel 1 van Het Kapitaal erkent dat belang. Dat de uitbuitingsgraad formeel gelijk is aan de meerwaardevoet in het marxistisch systeem benadrukt deze dynamiek.

Het grootste deel van de volgende eeuw baseerde het verzet tegen het kapitalisme zich steeds meer op de theoretische erfenis van Marx. Het idee van uitbuiting werd een steunpilaar van deze erfenis. Dit idee liet de spontane en intuïtieve kennis van de arbeider over de onrechtvaardigheid van het kapitalisme hand in hand gaan met een revolutionaire theorie.

Tegen het eind van de negentiende eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw domineerde het marxisme de arbeidersbeweging. Een eind maken aan de uitbuiting van de ene mens door de andere was de centrale slogan. Latere marxisten zoals Victor Perlo breidden het begrip uit door nationale, raciale en genderverschillen te koppelen aan 'superuitbuiting'.

Terwijl de marxistische beweging, in het bijzonder de Communistische Wereld Beweging (WCM) routinematig eerbetoon bleef brengen aan het idee van uitbuiting, nam het tactisch en strategisch belang ervan af.

Het tijdperk van het monopoliekapitalisme wordt gekenmerkt door de dominantie van het financierskapitaal, een snel groeiende middenlaag, een steeds grotere internationale arbeidsdeling, een groeiende dienstensector, immateriële commodificatie en een steeds complexer en gescheiden arbeidsproces. Het verband met exploitatie wordt hierdoor steeds minder duidelijk zichtbaar. Bovendien verlegde de gelijktijdige opkomst van het imperialisme de nadruk van uitbuiting op de werkvloer naar het verschijnsel dat het ene kapitalistische land het andere overheerst: imperialistische uitbuiting. De uitbuiters van de arbeiders gingen zich verschuilen achter een gordijn van gezamenlijk aandelenbezit. Zij die uitgebuit werden, raakten nog verder verwijderd van het product dat ze produceerden. Hierdoor werd het noodzakelijk verband tussen arbeidsuitbuiting en ongelijkheid steeds ondoorzichtiger.

In de twintigste eeuw kregen marxisten steeds meer oog voor de kapitalistische crisis en de manier waarop deze dood en verderf, werkloosheid en armoede met zich meebracht. Oorlog en de kapitalistische economische crisis, vooral de Grote Depressie, destabiliseerden de kapitalistische wereld in hoge mate. Links werd erdoor versterkt, maar tegelijkertijd lokte de crisis een nog radicalere kapitalistische reactie uit: het fascisme. Misschien was het begrijpelijk dat deze ontwikkelingen de aandacht voor de dagelijkse kapitalistische uitbuiting overschaduwden. Bovendien zorgde de sociaaldemocratische reactie op de crisis ervoor dat de alledaagse uitbuiting bij de arbeidersbeweging naar de achtergrond verdween.

Sociaaldemocraten probeerden de symptomen van de uitbuiting - ongelijkheid en verarming - te verzachten door middel van hervormingen en een bescheiden herverdeling van rijkdom en inkomen. Ze kozen ervoor om het kapitalisme te beheersen in plaats van het omver te werpen. Hiermee ontkenden ze de fundamentele uitbuitingsverhoudingen. Ze gebruikten de keynesiaanse trukendoos om de verstoringen in het kapitalistische systeem glad te strijken en de mate van uitbuiting te beperken. Helaas kozen een aantal communistische- en arbeiderspartijen hetzelfde pad.

Onder de zogenaamde westerse marxisten - een allegaartje van vooral academische theoretici - werd het marxistische idee van uitbuiting waarschijnlijk doodverklaard door de geschriften van John Roemer, een van de boegbeelden van het 'westerse marxisme'. [deel niet vertaald, nvdr] Dit is echter niet Marx' opvatting van uitbuiting. Marx formuleert historische redenen voor de omstandigheden waaronder arbeidsuitbuiting kan ontstaan, niet in theorie, maar als feit. Roemers analyse is een onderhoudend academisch gezelschapsspel. Het is vernuftig, maar niet relevant voor de specifieke taak die Marx zich stelt: het blootleggen van de maatschappelijke verhoudingen en hun historische voorwaarden die arbeidersuitbuiting mogelijk maken in een tijdperk dat gekenmerkt wordt door systematische en dominante kapitalistische maatschappelijke verhoudingen. [tweede niet vertaalde stuk, nvdr] Roemer verwart de vraag hoe een sociaaleconomische structuur een alomtegenwoordige, systematische en langdurige praktijk van uitbuiting kan veroorzaken (Marx' probleem) met de vraag hoe uitbuiting tussen individuen kan worden veroorzaakt (Roemers probleem). Ondanks de aandrang van westerse marxisten legt Roemer het af tegen Marx.

Natuurlijk is er een andere manier om inzicht te krijgen in uitbuiting, niet vanuit een beperkt academisch perspectief maar met behulp van een voorbeeld uit de praktijk. De oom bij wie ik ben opgegroeid, heeft 27 jaar in de kolenmijn gewerkt. Op zijn werkbriefje van 30 september 1936 stond dat hij meer dan 60 ton kolen gehouwen had, en dat hij per ton 68 cent kreeg uitbetaald. In die tijd moest een mijnwerker die vakbondslid was zelf betalen voor de gereedschappen en andere benodigdheden die hij in de mijn gebruikte. Dit bedrag werd van zijn loon ingehouden. Het kwam erop neer dat de mijneigenaars de mijnwerkers toegang boden tot de kolenlagen (met liften en kolenwagentjes), terwijl de mijnwerkers de arbeidskracht leverden.

United Mine Workers had wel loon- en arbeidsvoorwaarden afgedwongen, maar mijnwerkers waren feitelijk zzp'ers (in de 21 eeuw ziet de kapitalistische klasse dit systeem met 'onafhankelijke contractanten' als hét model voor de toekomst). De mijnwerkers 'mochten' de mijn betreden en kregen een deel van de waarde van het product dat ze aan de eigenaar hadden geleverd, uitbetaald. In dit geval verdiende de mijnwerker iets meer dan 68 cent (vóór aftrek) voor het gebruik van zijn arbeidskracht bij het produceren van een ton steenkool, terwijl diezelfde ton steenkool in 1936 verkocht werd voor ongeveer 8 dollar.

Mijnwerkers zijn zich terdege bewust van de grote kloof tussen wat hun arbeidskracht (een handelsartikel) de mijneigenaar kost en wat het product van hun arbeid oplevert wanneer het door de eigenaar wordt toegeëigend en verkocht. Het is onvermijdelijk dat arbeiders beseffen dat ze moeten vechten voor een groter aandeel (door middel van vakbondswerk). De meest visionaire arbeiders zien in dat deze bizarre overeenkomst verworpen moet worden (door middel van revolutie).

Voor Marx en zijn tijdgenoten schreeuwt de schrijnende ongelijkheid tussen wat degene die de rijkdom voortbrengt ontvangt voor zijn of haar inspanningen enerzijds en de waarde waarvoor het product op de markt verkocht wordt om uitleg. Hoe komt een dergelijke irrationele uitruil tot stand? Hoe is het mogelijk dat deze zo normaal en universeel wordt? Waarom accepteren degenen die de rijkdom produceren dit? Onder welke voorwaarden zullen zij in opstand komen tegen deze algemeen aanvaarde praktijk (uitbuiting) en een nieuwe sociale orde vestigen?

Waarom doet uitbuiting ertoe?

In onze tijd blijft de uitbuitingsrelatie vaak verborgen. Het product van de arbeider is vaak iets immaterieels, een dienst of informatie bijvoorbeeld, moeilijk meetbare dingen. Vaak is onduidelijk hoe een immaterieel product gecommodificeerd en verhandeld wordt, en welke marktwaarde het verkrijgt.

Arbeiders, vooral in de ontwikkelde kapitalistische landen waar vanouds hoge lonen betaald werden, zijn door de internationale arbeidsverdeling vervreemd geraakt van hun relatie met de waardenproductie. Hun functietitels zijn 'geprofessionaliseerd' om hun status als uitgebuite arbeiders te maskeren. Zij voelen zich dus veel minder uitgebuit dan een mijnwerker aan het kolenfront. Desondanks worden de meeste arbeiders uitgebuit door hun werkgevers.

Primaire arbeidsuitbuiting vindt plaats binnen het productieproces, waardoor er ongelijkheid ontstaat in de verdeling van inkomen en vermogen. Het is prijzenswaardig dat sociaaldemocraten en andere reformisten pleiten voor een herverdeling van de rijkdom en tegen de groei van de ongelijkheid. Sociaaldemocraten en andere reformisten streven naar een herverdeling van de rijkdom. Ze willen de groei van de ongelijkheid tegengaan, wat op zichzelf prijzenswaardig is. Wat ze niet willen is de oorzaak van de kapitalistische uitbuiting uit de weg ruimen. Ze pleiten voor een beleid van herverdeling en regelgeving, bijvoorbeeld door morele druk of het heffen van belastingen. De drijvende kracht achter de ongelijkheid, de kapitalistische uitbuiting, blijft echter onaangetast.

De voornaamste plek van uitbuiting blijft de plaats waar de rijkdom wordt gecreëerd, de werkvloer. Of dit nu een fabriek, een winkel, een kantoor of thuis is. Overal waar arbeidskracht (werk) verkocht wordt, is er uitbuiting. Waar het arbeidsvoorwerp de warenproductie is, is de uitbuiting direct. Wanneer het arbeidsvoorwerp bestaat uit het bijdragen aan de warenproductie, de distributie of de instandhouding ervan, is de uitbuiting indirect.

De kwestie van uitbuiting drijft een wig tussen het reformisme en revolutionair links. Nergens heeft reformistisch links het bestaan of de opmars van ongelijkheid onder kapitalistische omstandigheden kunnen verminderen. Ook al blijft dit, zoals prominente sociaaldemocraten als Thomas Piketty beweren, de grootste uitdaging voor de toekomst. Ze kunnen en zullen deze uitdaging echter nooit aangaan zonder de uitbuiting van de ene mens door de andere uit te bannen. Alleen met een revolutionaire breuk met het kapitalisme en de opbouw van het socialisme kan dit doel worden bereikt.

ZZ's blog, 16 maart 2021, vertaling Frans Willems.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019