De fundamentele tegenstrijdigheid van de digitalisering

Een proeve van begrip

i-003-010.jpg
Illustratie digitalisering: (Foto:Shutterstock)

Peter Schadt

[Deel 1 van 2]

  1. Antwoorden op de vraag wat digitalisering ís, zijn in de relevante onderzoeksliteratuur minder vaak te vinden dan suggesties over wat digitalisering zou kúnnen zijn. Ze wordt dan meestal opgevat als mogelijkheid, als veranderingspotentieel, dat naast de inzet van technologische concepten (kunstmatige intelligentie, automatiseringstechniek en robotica) ook aanvullende productiemethoden en mens-machine-interactie omvat. Nog weer anders geformuleerd is digitalisering het geheel van nieuwe mogelijkheden van informatieverzameling, -analyse en -overdracht.

    Behalve digitalisering zijn er nog legio andere begrippen in omloop, zonder dat die inhoudelijk iets wezenlijks toevoegen. Voorbeelden zijn industrie 4.0, vierde industriële revolutie, transformatie, 'second machine age', derde industriële of ook wel micro-elektronische revolutie. Trefwoorden als elektrificering, robotisering, arbeid 4.0 en industrie 4.0 worden als synoniemen naast elkaar gebruikt en moeten allemaal staan voor een technologische revolutie die gepaard gaat met niets minder dan een grondige verandering van de menselijke beschaving.

    Al deze begrippen doelen op een potentie die in de digitalisering besloten zou liggen. Ze zou een 'mogelijkheidsruimte' creëren, die meestal strekt van de bevrijding van de mens van de arbeid tot zijn knechting door de techniek. Daarmee is ook al de eerste tegenstrijdigheid benoemd, die het debat over digitalisering kenmerkt en die meestal uitloopt op loze kreten als 'vloek of zegen' en 'kansen en gevaren', als betrof het een opstel Nederlands dat de voors en tegens op een rij moet zetten. Positieve en negatieve effecten worden dan genoemd, hoop gewekt en angsten opgeroepen. De tegenstrijdigheid is daarmee echter niet verhelderd.

  2. In het kapitalisme is de verhoging van de arbeidsproductiviteit door nieuwe technieken en nieuwe vormen van arbeidsorganisatie iets heel elementairs. Ze bestaat niet pas sinds deze 'vierde industriële revolutie' en ze is ook niet meer alleen het resultaat van individuele ervaringen in het arbeidsproces en van toevallige ontdekkingen. Behalve dat van overheidswege systematisch fundamenteel onderzoek wordt gedaan, brengt vooral het kapitaal steeds weer nieuwe technieken voort en maakt daarmee voor het eerst de productie van een algemene maatschappelijke rijkdom mogelijk. En daarmee wordt niet een hoop gebruiksgoederen bedoeld, maar in de eerste plaats de potentie, dus de mogelijkheid, om alles te maken wat voor het leven nodig is en wel met een voortdurend dalende inzet van arbeid.

    Arbeid wordt door de techniek dus productiever gemaakt. Naarmate er meer techniek gebruikt wordt, zitten in elk apart product naar verhouding steeds minder inspanning en kosten opgeslagen. In principe hoeft minder arbeid ingezet te worden bij de productie van consumptiegoederen en dat maakt de mensen in materiële zin rijk en vrij. ("De vrije ontwikkeling van de individualiteiten [...], überhaupt de reductie van de noodzakelijke arbeid van de samenleving tot een minimum, die dan gelijk opgaat met de kunstzinnige, wetenschappelijke, etc. vorming van de individuen door de voor hen allen vrijgekomen tijd en gecreëerde middelen" (Marx, Grundrisse). De voorwaarde voor deze materiële rijkdom heeft de kapitalistische productiewijze in de praktijk gerealiseerd en ze doet dat met wat tegenwoordig digitalisering genoemd wordt, nog steeds elke dag. Tot zover het goede nieuws.

    Nu het slechte. Deze ontwikkeling van de productiekracht leidt echter ook tot een heel ander resultaat: er wordt aan en met de technisch steeds hoger ontwikkelde machines en apps meer gewerkt dan ooit tevoren. Met elke nieuwe ontwikkeling van de productiekracht wordt het werk zwaarder en neemt de stress toe. ("De meest geavanceerde machinerie dwingt de arbeider derhalve om nu langer te werken dan de natuurmens deed of wat hij zelf met de eenvoudigste, ruwste werktuigen deed" (Marx, Grundrisse).

    Enerzijds neemt dus de arbeid die nodig is voor de productie van de meest verschillende gebruiksgoederen, af. Steeds belangrijker hierbij worden de stand van de wetenschap en het machinepark dat met deze arbeid in beweging wordt gezet. Anderzijds horen stress op het werk, overuren en verlenging van de arbeidsdag tot de gevolgen van alle productiekrachtontwikkelingen in het kapitalisme en dus ook tot die van de digitalisering. Ook in dit geval gaat het duidelijk om een tegenstrijdigheid die verklaard moet worden.

  3. Door de techniek vindt een verschuiving plaats: de kennis die de arbeiders tot dan toe als persoon (subjectief) in het arbeidsproces inbrachten, wordt nu in de vorm van alle mogelijke werktuigen zelf objectief gemaakt, verzelfstandigd. Deze verschuiving vindt in elke productiewijze plaats. Het bijzondere van de burgerlijke economie bestaat nu hierin dat de ondernemer niet enkel een gebruikswaarde wil produceren, maar een ruilwaarde. Hij wil uit geld meer geld (laten) maken. Daarom staat onder de heerschappij van het kapitaal de loskoppeling van de arbeid, haar verzelfstandiging, centraal. Waardevormend is die dan namelijk niet meer in concrete zin - als producente van gebruiksgoederen, zoals tot nu toe besproken -, maar alleen in abstracte zin, in haar functie van niets anders dan "bepaalde hoeveelheden arbeid, een bepaalde hoeveelheid gestolde arbeidstijd". (Marx, Het Kapitaal).

    Doordat arbeid nu een op zichzelf staande waarde vormt, wordt het productieproces kapitalistisch, omdat het als waardevormingsproces meer waarde moet produceren dan aan het begin in de arbeidsmiddelen (machines, grondstoffen en arbeidskosten) al concreet aanwezig is. ("Als eenheid van arbeidsproces en proces van waardevorming is het productieproces het productieproces van waren; als eenheid van arbeidsproces en proces van meerwaardevorming is het productieproces het kapitalistische productieproces, de kapitalistische vorm van de productie van waren" (Marx, Het Kapitaal).

    Daarmee wordt het productieproces dan ook afhankelijk van de voorwaarden waaronder het plaatsvindt. Onder die van het proces van meerwaardevorming vindt de stofwisseling met de natuur ten behoeve van de productie van gebruiksgoederen daarom alleen in zoverre en in die vorm plaats, als hij ook zijn kapitalistisch doel, de vorming van meerwaarde, realiseert. De digitale technieken zijn daarmee in de burgerlijke economie alleen een middel tot omvorming van natuurlijk materiaal in gebruikswaarde in zoverre als ze ook een middel voor de creatie van meerwaarde zijn. Opdat de meerwaarde tot stand komt, slaat de productiviteitsstijging van de techniek (reductie van de noodzakelijke arbeid per product) voor de arbeider in haar tegendeel om.

    Hij moet nu in dezelfde tijd meer producten maken, zijn werk wordt zwaarder. Zo wordt, als het loon gelijk blijft, de betaling per stuk verminderd en daarmee is de salto mortale compleet: de productiviteitsstijging betekent voor de arbeider een daling van zijn productiviteit (reductie van het loonaandeel per gemaakt product).

  4. De reden voor het langer en intensiever werken ligt daarom in het belang dat het kapitaal hecht aan de techniek en niet in de belangstelling die het heeft voor de techniek zelf. Dat er vanuit het kapitaal gezien eigenlijk nooit genoeg gewerkt kan worden, volgt uit het doel van alle productie. De rijkdom van deze maatschappij bestaat immers niet in vrije tijd maar in geld. Als rijkdom telt wat op de markt verkocht kan worden en door een 'batig saldo' gerechtvaardigd wordt. Waar het om deze abstracte rijkdom gaat, daar bestaat geen maatstaf die het einde van de productie zou kunnen aangeven. De behoefte aan gebruiksgoederen kent zijn natuurlijke grens in de behoefte zelf. Maar waar het gaat om de productie van nuttige dingen omwille van de verkoop, waar dus geld het doel van alle productie is, daar vervalt deze grens.

    Deze vorm van abstracte rijkdom kent in wezen geen doel en geen hoeveelheid die uiteindelijk wordt nagestreefd. Zijn maat heeft hij in de arbeidstijd die voor de warenproductie wordt ingezet en waarvan er daarom niet genoeg kan zijn. In deze maatschappij is de productie van nuttige dingen niet het doel van alle productie en productiekrachtontwikkeling, maar middel voor het eigenlijke doel: rijkdom in de vorm van geld produceren. En dus gaat het niet enkel om de reductie van arbeid, maar om de 'rationalisering', d.w.z. zowel de afname van betáálde arbeid als tegelijkertijd een heel wezenlijke verzwaring en verlenging van de arbeidstijd.

    Zo komt dan ook tot stand wat aan de oppervlakte alle krantenlezers kennen: dat deze vorm van rijkdom gecreëerd wordt voor de ondernemer en niet voor degenen die de arbeid verrichten. Alles wat loonafhankelijken kopen om in hun levensonderhoud te voorzien, moet bij de productie eerst en vooral winst opleveren voor de andere kant, de eigenaren van de productiemiddelen. Voor iedereen die aangewezen is op loon, is het werk lang en intensief, en in feite niet productief. Vanuit het geldelijk overschot gezien stijgt daartegenover de productiviteit van de arbeid met elke technische innovatie. Het feitelijke overschot vloeit naar het kapitaal, terwijl de productiviteitsstijging zich voor de arbeiders manifesteert als extra belasting.

[Wordt vervolgd]

Bron: Peter Schadt, Von der 'Industrie 4.0' zur 'digitalen Souveränität'; Zeitschrift marxistische Erneuerung, nr. 125, maart 2021; pag. 165-171

Vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019