Kruispuntdenken en het centraal politiek belang van klasse

i-004-009.jpg

Victor Wallis

Kruispuntdenken (of intersectioneel denken) beschrijft de onderdrukking van verschillende klassenoverstijgende 'identiteitsgroepen' - vrouwen, mensen van kleur, culturele of religieuze minderheden, seksuele minderheden, oude mensen, gehandicapten - als deel van een grotere machtsstructuur waarbinnen de gehele sociale politiek tot stand komt. Uiteindelijk zijn alle vormen van onderdrukking met elkaar verbonden. Het gaat er dan om de structuur van deze samenhang - de intersectionaliteit - te begrijpen en een politieke kracht te formeren die deze machtsstructuur ontmantelt.

De academische discussie over intersectionaliteit is sterk beïnvloed door de in de jaren 1960 gevormde 'nieuwe sociale bewegingen'. Deze stelden eisen die door de 'traditionele' arbeidersbeweging en haar politieke partijen onvoldoende tot uitdrukking gebracht werden. Sindsdien wordt een toenemende verscheidenheid aan individuele ervaringen betrokken bij de debatten over intersectionaliteit en daarbij tegelijkertijd het dynamisch samenwerken van de verschillende dimensies benadrukt. Het impliciet oorspronkelijk doel van de intersectionaliteitstheorie - namelijk de vereniging van de onderdrukte bevolkingsgroepen tot een samenhangende politieke kracht - is echter nooit verwezenlijkt. Met andere woorden: er bestaat tot op vandaag geen eenheid die het machtsbehoud ter discussie zou kunnen stellen van diegenen die - als heersende klasse - hun stempel drukken op alle terreinen van de maatschappij.

De sleutelpositie van klassenverhoudingen is een maatschappelijk structuurkenmerk. De essentiële rol die deze bij de toedeling van levenskansen spelen, kan zich al dan niet in de subjectieve waarneming van mensen weerspiegelen. Op klassen gebaseerde onderdrukking en uitbuiting zijn niet persé 'erger' of pijnlijker dan andere vormen van onderdrukking; ze zijn ook niet noodzakelijkerwijs de eerste prikkel tot woede, ontevredenheid of politiek bewustzijn bij individuen of zelfs de meerderheid. Desondanks onderscheidt klasse zich van andere onderdrukkingsvormen die bijvoorbeeld gebaseerd zijn op gender of 'ras'. [Ras staat tussen aanhalingstekens om duidelijk te maken dat er geen biologische basis voor is].

Strategische en verbindende functie

Individuen hebben meervoudige identiteiten en kruispuntdenken kan helpen om die te onderkennen. Daarmee is echter het probleem nog niet opgelost dat een centraal aanknopingspunt voor de politieke strijd vastgesteld moet worden. Hier krijgt de kwestie van de klassenmacht een bijzondere betekenis, want het zijn de dragers van de klassenmacht, die met hun besluiten de randvoorwaarden vastleggen voor wat op verschillende maatschappelijke terreinen toegestaan is of verwacht wordt - van arbeid via technologie tot reproductieve rechten en massa-amusement.

Dat betekent niet dat de heersende klasse ongestoord haar gang kan blijven gaan, maar wil de strijd tegen haar ook maar enig succes hebben, dan is daar een adequate politieke kracht voor nodig. Door uitsluitend nadruk te leggen op bepaalde (niet-klassenspecifieke) identiteiten van onderdrukte bevolkingsgroepen wordt het potentieel voor een dergelijke strijd ondergraven; men maakt daardoor van hoofdpersonen bedelaars die smeken om mee te mogen doen. Als de eisen van bepaalde groepen vervuld moeten worden, dan moeten die gesteld worden in het bewustzijn van het veelomvattende proces waardoor niet één of enkele maar alle groepen vooruitgang kunnen boeken.

In deze zin heeft klasse een strategische en verbindende functie, die geen van de andere onderdrukkingsvormen heeft: ze kan tot één samenhangende kracht al die groepen verenigen, die onderdrukt worden door de macht die in de huidige maatschappij het sterkst geconcentreerd is, namelijk het kapitaal. De instandhouding van elke vorm van onderdrukking dient belangen die uitgaan boven die van haar directe voorstanders of betrokkenen. Zo dient 'white supremacy' niet de belangen van 'de' witten; evenmin is 'male supremacy' in het belang van 'de' mannen of homofobie in het belang van 'de' heteroseksuelen.

Deze uitspraken lijken misschien verrassend of wonderlijk, maar dan alleen in de context van een maatschappij waarin de machtsstructuren - door wetten en andere mechanismen - zo diep verankerd werden dat enkelen van ons eerder aan hinder (of erger) worden blootgesteld dan anderen. Wie Europese voorouders heeft, mannelijk of heteroseksueel is, is op basis van deze eigenschappen niet noodzakelijkerwijs automatisch voorbestemd om superioriteit van welke aard dan ook te doen gelden.

'White supremacy', 'male supremacy' en heteronormativiteit zijn onderdelen van een veelomvattender machtssysteem waarbinnen ze ieder voor zich een strategische rol spelen ten behoeve van de stabilisering van de klassenmacht. Elke van deze onderdrukkingsvormen kan door vastberaden collectief handelen bestreden worden, maar om haar volledig te overwinnen is een veelomvattender transformatie nodig. Daarvoor is een cultuur nodig waarin de macht van een groep mensen over anderen - en over de wereld van de natuur - onacceptabel is geworden. De heersende cultuur is er echter een waarin de concerns en militairen van de macht profiteren. Elk bereik van de menselijke samenleving loopt tegenwoordig het gevaar om door deze cultuur veroverd en misbruikt te worden. En elke juridische overwinning op een machtsvorm - of het nu gaat om milieubescherming, kiesrecht of reproductieve rechten - loopt altijd de kans om teruggedraaid te worden.

Het bijzondere en centrale van klasse

Van alle klassenoverstijgende identiteiten is 'ras' degene die het duidelijkst in dienst van klassenbelangen in het leven werd geroepen. Op basis van klassenbelangen werd in de geschiedenis aan bepaalde bevolkingsgroepen een status van collectieve ondergeschiktheid opgelegd. Als voorwendsel daarvoor dienden in het begin meestal lichamelijke kenmerken, maar nationale/culturele en taalkundige eigenschappen - die naar plaats van kolonisering of naar immigrerende groep en doelland variëren - kunnen op dezelfde wijze gebruikt worden.

De andere klassenoverstijgende identiteiten - met name gender, seksualiteit, leeftijd, handicap en cultuur (inclusief religie) - bestaan onafhankelijk van klasse, maar hebben niet dezelfde reikwijdte als de klassenvraag. Het bijzondere van de klassentegenstelling bestaat hierin dat het daarin om macht gaat. Er kan geen heersende klasse bestaan zonder een overheerste klasse; ze heerst erover of ze houdt op als klasse te bestaan. Klasse wordt gedefinieerd op basis van de uitoefening van macht door een groep personen over een andere groep. Biologische of culturele eigenschappen leiden daarentegen van zichzelf uit niet tot een machtsverhouding. Waar wel macht wordt uitgeoefend, met name bij de vorming van genderverhoudingen, gebeurt dit niet vanuit een inherente noodzakelijkheid, maar op basis van toe-eigening. Het kapitalisme speelt daarbij een centrale rol bij de voortzetting en vastlegging van onderdrukkingspraktijken.

De 'intersectie' of het 'kruisen' van verschillende machtsvormen maakt deze nog niet tot strategische equivalenten. Ook al kan elk van hen als primair 'ervaren' worden, dan wordt daardoor nog niet haar drijvende kracht in een objectieve zin gerechtvaardigd. De kwestie van het tot werktuig maken van gender in dienst van klassenmacht is complexer dan die van racistische structuren (die zich, zoals we gezien hebben, in samenhang met economische belangen ontwikkeld hebben) en strekt zich uit over een langere periode in de mensengeschiedenis, met een ontwikkeling die aan de opkomst van het kapitalisme voorafgaat.

Maar de huidige verbinding van genderonderdrukking met klassenmacht functioneert vergelijkbaar met die van de racistische onderdrukking. Uiteindelijk wordt de mannelijke dominantie net zoals de witte dominantie door de heersende klasse gehandhaafd - getolereerd of zelfs bevorderd -, omdat ze integraal bestanddeel is van de cultuur die het kapitaal en het VS-imperium in stand houden. Een regime dat grote delen van de mensheid tot armoede, oorlog en/of militaire bezetting veroordeelt, moet steunen op een institutionele en culturele structuur die past bij het agressieve claimgedrag dat altijd een integraal bestanddeel van de mannelijke dominantie was.

Dienovereenkomstig is het verzet tegen zowel mannelijke als ook witte dominantie een integraal onderdeel van de ontwikkeling van een bevrijdingscultuur. Uit de arena waarin zich een dergelijke revolutionaire cultuur kan ontplooien, mogen echter diegenen niet uitgesloten worden van wie ten onrechte aangenomen wordt dat ze van de betreffende hiërarchieën profiteren: in het ene geval mannen, in het andere witten. Dat zou vanzelfsprekend moeten zijn.

De enige weg om aan klassenmacht een einde te maken, is het opruimen van de heersende klasse. Enkele leden kunnen hun toebehoren tot de heersende klasse dan wel opgeven, maar opdat de klasse als geheel kan worden opgeruimd, moet aan haar leden hun macht ontnomen worden. De voorstelling dat uit gelijkwaardige onderdrukkingslijnen de beste gekozen kan worden, ontkent dat.

Aan witte dominantie kan een einde gemaakt worden, maar er zullen nog steeds genetische verschillen in lichamelijke kenmerken, zoals bijv. de huidskleur, blijven. Aan mannelijke dominantie kan een einde gemaakt worden, maar er zullen nog steeds mannelijke en vrouwelijke eigenschappen blijven, hoe die ook gecombineerd zijn. Maar wanneer aan de klassenmacht een einde gemaakt moet worden, zal de bezittende klasse moeten verdwijnen. Verzoening kan tussen individuen plaatsvinden, maar niet tussen antagonistische klassen.

Het benadrukken van het centrale van klasse betekent geenszins dat de betekenis van andere onderdrukkingsvormen gebagatelliseerd wordt. Het betekent ook niet dat de aandacht die de linkse partijen in het verleden aan deze onderdrukkingsvormen hebben gegeven, voldoende was. De eisen van de 'nieuwe sociale bewegingen' waren meer dan gerechtvaardigd. Bovendien waren sommige van deze groepen beter in staat zich rond deze eisen te organiseren dan de linksen eerder hadden gedaan. En vaak hadden ze een radicaal begrip van klassenmacht, zoals bijv. de Black Panthers. Wat zich evenwel niet ontwikkelde was een veelomvattende beweging die alle onderdrukte bevolkingsgroepen bijeenbracht.

De arbeidersklasse vormt niet alleen de meerderheid in de totale bevolking, maar ook in de afzonderlijke niet-klassespecifieke bevolkingsgroepen. De omstandigheid om tot de arbeidersklasse te behoren komt in elke geval nog eens bovenop andere achterstellingen. De grote meerderheid van de arbeidersklasse behoort immers tot minstens een van de onderdrukte bevolkingsgroepen. En de arbeidersklasse als geheel - inclusief de minderheid daarin die niet getroffen wordt door andere onderdrukkingsverhoudingen, d.w.z. witte heteroseksuele mannen - wordt verzwakt door het ontbreken van eenheid als gevolg van deze omstandigheden.

De academische intersectionaliteitstheorie schenkt aan deze structurele factoren geen aandacht. In plaats daarvan behandelt ze de klasse van iemand in essentie als een persoonsgebonden cultureel kenmerk in de zin van het behoren tot een identiteitsgroep.

En zolang de sociale bewegingen de strategische betekenis van klasse miskennen, zullen ze teleurgesteld blijven worden.

Bron: Zeitschrift marxistische Erneuerung, nr. 126, juni 2021; pag. 31-40,

vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019