De fundamentele tegenstrijdigheid van de digitalisering

i-007-013.jpg
Foto: Shutterstock

Peter Schadt

Deel 2 van 2, zie deel 1

  1. Het specifieke van het kapitalisme is, naast het particulier eigendom, vooral de ontwikkeling van de productiekrachten. Lange werktijden en lage lonen als kenmerken van uitbuiting zijn al in andere samenlevingen benut, opdat een heersende klasse zich economisch kon verrijken. Typisch kapitalistisch is daarentegen de optimalisering van de verhouding tussen enerzijds de hoeveelheid arbeid die voor het levensonderhoud van de arbeidskrachten moet worden ingezet, dus het loon, en anderzijds het geldelijk gewin dat diezelfde arbeid produceert. Precies daarvoor wordt in het kapitalisme de productiekrachtontwikkeling benut. Met elke nieuwe techniek wordt zeer effectief actie ondernomen tegen de hoeveelheid arbeid die in elk afzonderlijk product aanwezig is, en op deze manier tegen het loonaandeel in de waarde van de geproduceerde goederen.

    Waar het kapitaal zo met nieuwe technieken zijn productiviteit verhoogt, veroorlooft het zich meteen de volgende tegenstrijdigheid - uitgerekend op het moment dat het met succes een nieuwe techniek toepast. Door de digitalisering wordt namelijk de hoeveelheid arbeid die in elk product zit, aanmerkelijk gereduceerd. Daarmee verminderen de ondernemers nu net dat aan het product, wat hen hun geld oplevert, namelijk de in de waar geobjectiveerde arbeid. Elke kapitalist wordt vervolgens in die zin met deze tegenstrijdigheid geconfronteerd dat de technische verandering van zijn productie de ruilwaarde van zijn goederen voortdurend vermindert. Van deze geringere opbrengst van het betreffende product eigent hij zich dan natuurlijk een groter deel toe. Zo zet de onderlinge concurrentie de kapitalisten die de digitalisering toepassen, aan tot de verovering van steeds nieuwe markten.

    Daarmee wordt dan ook helder waarom de loze kreet van de 'kansen en gevaren' van de digitalisering, alsook het hele debat over de 'vloek en zegen' van de techniek, deze tegenstrijdigheid altijd alleen maar vertekend weergeeft. Als productiviteitsstijging voor kapitalistische ondernemingen - een andere vorm van 'de digitalisering' bestaat er in deze wereld helemaal niet - ligt al vóór haar toepassing vast voor wie ze een kans op meerwaarde betekent en voor wie het gevaar om wegbezuinigd te worden. De verwijzing naar de 'potentie' aan het begin van dit artikel negeert dat de techniek juist ten behoeve van het economisch doel van het kapitaal ontwikkeld wordt en daarom niet pas bij de toepassing ervan 'beslist' of zelfs 'uitonderhandeld' wordt of ze het werk voor de arbeiders nu lichter of zwaarder maakt. Dat het de ondernemingen zijn die vanuit hun economisch belang de nieuwe digitale techniek toepassen, komt daarbij in de debatten slechts zelden expliciet naar voren. Vaak genoeg wordt een taalkundig beeld gebruikt waarin de subjecten van de technische innovatie helemaal niet meer kunnen voorkomen.

  2. Wat namelijk opvalt is dat bij veel publicaties over dit thema 'de digitalisering' zelf als subject, als veroorzaker van de meest verschillende veranderingen lijkt op te treden. Ze 'dwingt' ons om machtsverhoudingen los te laten, 'flexibiliseert' arbeidsprocessen en nog zowat meer. Hier verandert de digitalisering van een proces dat door iemand in gang wordt gezet, zelf in het subject dat 'ons werk verandert'. Een bijzonder merkwaardige verschuiving.

    In een tijd waarin niemand nog het woord 'digitalisering' kende, schreef Brecht een gedicht vanuit het gezichtspunt van een lezende arbeider. Daarin liet hij deze de vraag stellen wie Thebe met de zeven poorten bouwde. De ik in het gedicht betwijfelt of het de koningen uit de geschiedenisboeken waren die de rotsblokken versleepten. Eenzelfde twijfel kan iemand ook bekruipen wanneer die tegenwoordig het publieke debat volgt zoals dat zojuist werd geschetst. Dan zal immers de digitalisering zowel de productie als ook de producten van de industrie 'fundamenteel veranderen', en van het personeel eist ze natuurlijk 'maximale flexibiliteit'. De klassieke gewone werkdag past niet meer in het 'tijdperk van de digitalisering', en hetzelfde leest men ook over cao's, wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk, over ondernemingsraden of gelijk maar over alle vakbonden.

    Zoals Brecht erop wilde wijzen dat de geschiedenisboeken het zicht op de werkenden belemmeren, zo is ook hier een flink stuk ideologie te bewonderen: 'de digitalisering' doet namelijk helemaal niets. Wie een smartphone bezit, kan tegenwoordig ook onderweg deelnemen aan allerlei arbeidsprocessen. Als hij dat ook móét doen, dan op grond van economisch doel en dwang van zijn bedrijf. Deze 'vooruitgang' heeft niets van doen met de reductie van noodzakelijke arbeid ten bate van allerlei nuttige dingen. Veeleer wordt de inzet van geld voor de arbeidskracht verminderd en worden loonkosten voor het levensonderhoud van de werknemers die niet meer nodig zijn, uitgespaard. 'Vooruitgang' is hier het effectiever maken van de arbeid, puur gelet op de verhouding tussen voorschot en overschot van kapitaal.

    'De digitalisering' neemt in krantenartikelen, wetenschappelijke studies en glossy brochures vaak de functie over van schijnsubject. Zo wordt het kapitaal - met zijn onafscheidelijke vermeerderingsdrang het werkelijk subject van de ontwikkeling - vereenzelvigd met de techniek. In ieder geval kent een dergelijke schrijf- en spreekwijze dan geen jagers en gejaagden van de nieuwste industriële revolutie meer, maar alleen nog slachtoffers. 'We' moeten daarom allemaal 'op een nieuwe manier gaan denken' en 'ons' op iets 'nieuws' instellen. Dat hier enerzijds de concerns hun producten moderniseren, terwijl hun variabel kapitaal, het personeel, onderworpen wordt aan de digitalisering, lijkt daarbij bijna bijzaak.

    Blijkbaar is de digitalisering dus voor al het mogelijke verantwoordelijk, van slechtere arbeidsvoorwaarden tot een betere verenigbaarheid van beroep en gezin, van het overbodig maken van arbeiders tot het ontstaan van nieuwe bedrijfstakken, van werkstress tot een betere 'work-life-balance'. Daarbij dwingt 'de digitalisering' ons niet om langer te werken, net zo min als ze zorgt voor kortere werkdagen. De digitalisering doet helemaal niets. Ze wordt gedaan. Het subject van de nieuwe technische ontwikkelingen is namelijk niet een onheilspellende 'digitalisering' die ons allemaal treft, maar het kapitaal. Ondernemers ontwikkelen nieuwe technieken en passen die toe, en wel voor hun economische doelen. De techniek is zelf altijd middel en nooit acteur, ze wordt dus ten behoeve van een doel ontwikkeld en toegepast, maar kent geen eigen doel. Wie begrijpen wil hoe arbeidsprocessen tegenwoordig veranderen, doet er daarom goed aan te kijken naar de belangrijke acteurs die deze techniek in gang zetten, en naar hun politieke bescherming en ondersteuning.

    Bron: Peter Schadt, Von der 'Industrie 4.0' zur 'digitalen Souveränität'; Zeitschrift marxistische Erneuerung, nr. 125, maart 2021; pag. 165-171, vertaling en bewerking: Louis Wilms.

©MANIFEST KRANT van de NCPN
Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019