De soldaat van La Ciotat

i-012-021.jpg
De landerijen die hij veroverde, nam hij net zomin in bezit als de metselaar het huis dat hij zelf gebouwd heeft, bewoont.

We plaatsen hieronder een passage uit een werk van Bertolt Brecht (1898-1956), die geldt als één van de grootste toneelschrijvers en dichters uit de vorige eeuw. Ook al is het lang geleden geschreven, het is ontzettend actueel.

Bertolt Brecht

Het was na de Eerste Wereldoorlog, dat wij in het kleine Zuid-Franse havenstadje La Ciotat het bronzen standbeeld van een soldaat uit het Franse leger zagen. Het beeld bevond zich op een plein waar een jaarmarkt gehouden werd ter viering van de tewaterlating van een schip. Een menigte mensen verdrong zich voor het standbeeld. Wij ontdekten, toen we dichterbij kwamen, dat het een mens van vlees en bloed was, die daar onbeweeglijk op een stenen sokkel in de hete juni zon stond. Hij droeg een aardbruine mantel, had een stalen helm op het hoofd en een bajonet in de arm. Zijn gezicht en handen waren beschilderd met een bronzenverf. Hij verroerde geen spier, niet één keer knipperde hij met zijn ogen.

Aan zijn voeten tegen de sokkel leunde een stuk karton, waarop de volgende tekst te lezen was:

“De standbeeldmens (Homme Statue)

Ik, Charles Louis Franchard, soldaat in het … zoveelste Regiment, verwierf, als gevolg van een ontaarding bij Verdun de eigenaardige vaardigheid me als een standbeeld volkomen bewegingsloos te kunnen houden net zo lang als ik het zelf wil. Deze kunst van mij is door tal van professoren onderzocht en aangeduid als een onverklaarbare ziekte. Wees zo vriendelijk en heb een kleine gift over voor een werkloze familievader!”

We gooiden een muntje op het bord naast dit opschrift en liepen hoofdschuddende verder.

Hier dus, dachten wij, staat hij, tot de tanden toe bewapend, de standvastige soldaat door de eeuwen heen; hij met wie geschiedenis geschreven werd; hij die al deze grootse daden van Alexander, Caesar, Napoleon mogelijk maakte, waarvan we lezen in de schoolboeken. Dit is hem. Hij knippert niet eens met zijn ogen. Dit is de boogschutter van Cyrus, de sikkelwagenmenner van Cambyses, die zelfs het woestijnzand er niet onder kreeg, de legionair van Caesar, de lansruiter van Dzengis-Khan, de Zwitser van Lodewijk XIV en de eerste grenadier van Napoleon. Hij beschikt over dat toch niet zo geheel abnormale vermogen, dat hij geen krimp geeft, wanneer hij wordt blootgesteld aan de meest verschrikkelijke vernietigingswapens. Als een steen, onbewogen (zegt hij), zal hij het ondergaan als men hem de dood injaagt. Doorboord door lansen uit de meest verschillende tijdperken: het stenen, het bronzen, het ijzeren; omvergereden door strijdwagens, die van Artaxerxes en die van generaal Ludendorff; vertrapt door de olifanten van Hannibal en de ruiterij van Attila; verpletterd door rondvliegende stenen van de katapulten en ertsstukken van kanonnen die door de eeuwen heen steeds dodelijker zijn geworden; uiteengereten door geweerkogels, groot als duiveneieren en klein als bijen, zo staat hij daar, onverwoestbaar, alsof het telkens voor de eerste keer is, bevolen in allerlei talen, maar altijd niet begrijpend waarom en waarvoor.

De landerijen die hij veroverde, nam hij net zomin in bezit als de metselaar het huis dat hij zelf gebouwd heeft, bewoont. Ook komt hem bijvoorbeeld het land dat hij verdedigde, niet toe. Niet eens zijn wapen en uniform zijn van hem. Maar hij houdt stand, ook al loopt hij gevaar, vanuit de lucht door een dodelijke bommenregen van vliegtuigen of door het brandend pek dat van de stadmuren wordt gegooid en vanaf de grond door mijnvelden en valkuilen; hij volhardt, hoezeer hij ook bedreigd wordt door pest en mosterdgas alom of door speren en pijlen met weerhaken die om hem heen een ware slachting aanrichten; opspattend modder van tanks valt hem ten deel en gasgranaten hebben hem tot doelwit; oog in oog met de vijand en de generaal in zijn rug, weet hij van geen wijken.

Talloze handen die voor hem het ondergoed hebben genaaid, het harnas gesmeed en zijn laarzen gestikt! Ontelbare zakken die zich door zijn verdienste vulden! Oorverdovend gebrul in alle talen van de wereld, die hem aanvuurden! Geen God wiens zegen hij niet ontving! Hij die behept is met de kwellende kwaal van het geduld en noch eens ondermijnd wordt door de ongeneeslijke ziekte van onbewogenheid.

Wat voor een ontaarding is dit, dachten wij, waaraan hij deze ziekte te danken heeft, deze afschuwelijke, monsterlijke, zo uiterst besmettelijke ziekte?

Zou zij, vroegen we ons af, niet toch te genezen moeten zijn?

* Bron: Bertolt Brecht, Gesammelte Werke 11, Prosa I, pp. 237-239, Werkausgabe Suhrkamp. Vertaling Wybe.


Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019