Zionistische paniek

 

 

Door Peter Edel (*)

Jarenlang hebben pro-Israëlische, c.q. zionistische organisaties een weinig inspannende taak gehad in Nederland. Tevreden konden zij constateren dat zowel het beleid van de overheid, als de publieke opinie, vrijwel volledig op de belangen van Israël gericht waren. Sinds het uitbreken van de intifada in 2000 is in deze situatie een kentering opgetreden.

De gewelddadige onderdrukking van deze Palestijnse opstand door het machtige Israëlische leger, heeft ertoe geleid dat steun aan Israël voor velen geen vanzelfsprekende zaak meer is. Kritische geluiden beperken zich niet meer tot kleine groeperingen met een geringe aanhang. Het succes dat Gretta Duisenberg en het comité 'Stop de bezetting' hebben geboekt met een handtekeningenactie, is typerend voor deze ontwikkeling. Nooit eerder maakten zoveel Nederlanders hun onvrede kenbaar over de misdaden van de Israëlische regering tegen de Palestijnen.

Voor pro-Israëlische organisaties is hiermee een einde gekomen aan een luxueuze periode. De recente paniek in deze kringen is dan ook niet onverklaarbaar. Men begrijpt heel goed dat het onmenselijke optreden van het Israëlische leger niet met inhoudelijke argumenten te verdedigen valt. Daarom wordt naar andere middelen gegrepen om de kritiek te pareren. Sommige verdedigers van de Israëlische politiek schromen daarbij niet om de woorden van hun tegenstanders te verdraaien, of zelfs regelrechte leugens te verspreiden. Met dat soort eerloze machinaties trachten zij pro-Palestijnse activisten in verband te brengen met antisemitisme; het zionistische wapen bij uitstek om karaktermoord te plegen op critici. Maar de Israël-lobby heeft niet het minste recht om pro-Palestijns activisme van antisemitisme te beschuldigen. Alleen al het argument dat de geschiedenis van het zionisme bol staat van dubieuze contacten met antisemieten, voldoet om deze stelling te verdedigen.

Aan het begin van de 20e eeuw hadden de grondleggers van het zionisme al geen bezwaren tegen een samenwerking met antisemieten en deze opstelling veranderde niet toen het nationaal-socialisme aan de macht kwam. De Duitse vertakking van de zionistische wereldbeweging ging toen een samenwerking aan met het ministerie van Economische Zaken van nazi-Duitsland, om de ontwikkeling van een joodse infrastructuur in Palestina te bevorderen: het 'Ha'avara Abkommen'(1). Tot die beslissing kwamen de zionisten niet om de joden in Duitsland te beschermen. Integendeel: de afspraken tussen de nazi's en de zionistische wereldbeweging dienden in de eerste plaats de opbouw van een joodse staat in Palestina. De belangen van Europese joden zijn daarbij altijd op de tweede plaats gekomen.

Om de samenwerking met Hitler en trawanten tot een succes te maken, torpedeerde de zionistische wereldbeweging in 1933 het initiatief van een groep Amerikaanse joden om nazi-Duitsland via een economische boycot een halt toe te roepen. Dat was een historische manoeuvre van de zionisten, want een succesvolle boycot had het, op dat moment economisch zwakke Duitsland, zwaar kunnen treffen. Het is zelfs niet onvoorstelbaar dat de geschiedenis er een andere wending door had gekregen. Vaststaat in ieder geval dat de zionistische wereldbeweging voor een economisch sterk nazi-Duitsland koos omdat een dergelijke strategie beter aansloot bij het streven naar een joodse staat. De nadelen van die beslissing voor de Duitse joden namen de zionisten voor lief (2).

Nadat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken en de eerste berichten over de holocaust de geallieerde landen bereikten, stelden zionisten in Palestina en de VS alles in het werk om deze onheilstijdingen uit de publiciteit tehouden, of te bagatelliseren. Ook onder deze omstandigheden hadden zij meer aandacht voor de opbouw van een joodse staat in Palestina dan voor het sombere lot van de joden in Europa (3). Andere zionisten bleven tijdens de oorlog open staan voor een samenwerking met nazi's. Zoals de beruchte 'Stern Gang', waar de latere Israëlische premier Yitzhak Shamir nog bij betrokken was (4). Aan de Stern Gang hadden de nazi's geen boodschap, maar op andere voorstellen van zionisten reageerden zij gretig. Dat gebeurde aan het einde van de oorlog in Hongarije waar de zionistenleider Reszo Kasztner aan de deportatie van honderdduizenden joden wilde meewerken, als hij met een relatief klein aantal zionistische jongeren uit kon wijken naar Palestina(5).

Natuurlijk zijn latere zionisten niet verantwoordelijk voor de beslissingen van hun voorgangers. Maar zij distantieerden zich niet van de hierboven beschreven duistere pagina's uit de geschiedenis van het zionisme. De belangen van individuele joden bleven voor hen ondergeschikt aan het zionistische ideaal. Na 1948 gaven een aantal onder hen invulling aan dit uitgangspunt door de overlevenden van de holocaust als minderwaardige joden te ontvangen. Ook de Israëlische politiek, die hoofdzakelijk om politieke en militaire redenen geïnteresseerd was in de komst van holocaustoverlevenden, maakte zich daar schuldig aan. Na aankomst moesten deze immigranten de verschrikkelijke herinneringen uit de oorlog voor zich houden, omdat dergelijke emoties niet in de pas liepen met het zionistische ideaal(6). Daar kwam pas begin jaren zestig verandering in toen de zionisten beseften dat de herinnering aan de holocaust propagandistische perspectieven bood. Maar de zionistische minachting voor andere joden bleef ook nadien. Zoals voor linkse joden die zich niet met het tragische lot van de Palestijnen kunnen verenigen, of voor religieuze antizionisten voor wie het zionisme de valse Messias is. Minachting is er ook voor de oriëntaalse joden uit landen als Irak en Marokko. Zij worden tot op de dag van vandaag als tweederangs burgers behandeld in Israël door de oorspronkelijk uit Oost-Europa afkomstige zionistische elite.

De zionistische ideologie heeft veel joden gehersenspoeld. Maar dat verandert niets aan het feit dat het zionisme in veel opzichten vijandig tegenover joden staat. Daarom is het ongepast wanneer zionisten namens joden het woord antisemitisme in de mond nemen om kritiek op Israël te criminaliseren.

Een andere overweging hierbij is dat zionisten geen lering uit de geschiedenis wensen te trekken. De belangrijkste les van de judeocide tijdens de Tweede Wereldoorlog is dat macht en onderdrukking tot een moreel verval van onmenselijke proporties kunnen leiden. Het is precies deze les die de Israëlische regering aan zich voorbij laat gaan door de Palestijnen te onderdrukken op een manier die niet onvergelijkbaar is met jodenvervolgingen uit het verleden.

Als Israël was uitgegroeid tot een centrum tegen onderdrukking en racisme, hadden de pleitbezorgers ervan het volste recht gehad om zich op het historische leed van het jodendom te beroepen. Maar nu de nagedachtenis aan de zes miljoen joodse slachtoffers van de nazi's in dienst is gesteld van een op geweld en onderdrukking gericht regime, is dit recht verspeeld.

Misbruik van het enorme onrecht dat joden in de loop der eeuwen heeft getroffen, is van een stuitende brutaliteit. Dat geldt ook voor de uit wanhoop geboren onderneming van de heren Loonsteijn, Moskowicz en Naftaniël om Gretta Duisenberg van antisemitisme te beschuldigen. Dit drietal verdraait woorden en verspreidt leugens om afbreuk te doen aan het succes van het comité 'Stop de bezetting' en andere geledingen van de pro-Palestijnse beweging in Nederland. Dat organisaties als het 'Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI)' via dit soort methoden een discussie op basisvan inhoudelijke argumenten proberen te vermijden, is niet alleen tekenend voor de uitgebroken paniek, maar ook voor de heersende mentaliteit in pro-Israëlische kringen.

Wat denken Loonsteijn, Moskowicz en Naftaniël te bereiken met hun verkettering van mevrouw Duisenberg? Menen zij het succes van het comité 'Stop de bezetting' zo te kunnen stoppen? In dat geval zal het resultaat tegenvallen. Gretta Duisenberg en haar medestanders zijn er door de recente aanval op hun initiatief alleen maar sterker van overtuigd geraakt dat een actieve opstelling tegen het beleid van de Israëlische regering bittere noodzaak is. Want alleen op die manier is het mogelijk Palestijnen én Israëliërs voor een ramp te behoeden.

Bronnen:

  1. Lenni Brenner, Zionism in the Age of the Dictators, Croom Helm Beckenham U.K, 1983, p.61-78.
  2. Ibidem, p.57-59.
  3. Tom Segev, The Seventh Million, the Israelis and the Holocaust, Hill and Wang, A division of Farrar, Starus and Giroux, New York, , 1993, p.74-110.
  4. Brenner, o.c. p.265-270.
  5. Ibidem, p. 252-264.
  6. Segev, o.c. p. 8, p.119, p.183.

(*) Peter Edel (1959, Amsterdam) is beeldend kunstenaar, fotograaf en schrijver van artikelen over de geschiedenis van Israël en het zionisme. Hij publiceerde in Kleintje Muurkrant, Ravage, Buiten de Orde, Soera en Soemoed. Onlangs verscheen van hem de Schaduw van de ster, zionisme en antizionisme (EPO, Berchem).


Haarlemmerweg 177, 1051 LB, Amsterdam, tel.: 020-6825019